Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2026:192 ECLI:NL:CBB:2026:192 AI generated

ECLI:NL:CBB:2026:192 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2026:192
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/783 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [vestigingsplaats] (maatschap) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. J. van Horsen) Procesverloop Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling), voor zover hier van belang, de aanvraag voor de eco-regeling van de maatschap afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2026:192 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De maatschap heeft voor de subsidiabele hectares namelijk niet het minimaal aantal punten behaald voor de verbetering van klimaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling. 2 De maatschap heeft aangevoerd dat zij naar eer en geweten heeft gehandeld. Zij zegt ook dat de fout bij haar lag en niet bij de minister. Verder heeft zij erop gewezen dat de minister makkelijk kan controleren of de betreffende activiteit op een perceel is uitgevoerd. Van de minister kan echter niet worden gevergd om zonder dat voor een perceel een aanmelding (voor de eco-regeling) is gedaan, op eigen initiatief te controleren of voor dit perceel aan de voorwaarden voor de eco-regeling wordt voldaan.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/783 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [vestigingsplaats] (maatschap) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. J. van Horsen) Procesverloop Met het besluit van 11 juni 2024 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling), voor zover hier van belang, de aanvraag voor de eco-regeling van de maatschap afgewezen.

Met het besluit van 22 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de maatschap beroep ingesteld. De zitting was op 26 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] en de gemachtigden van de minister. Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Vast staat dat de maatschap niet voldoet aan één van de voorwaarden die de eco-regeling stelt aan betaling.

De maatschap heeft voor de subsidiabele hectares namelijk niet het minimaal aantal punten behaald voor de verbetering van klimaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsregeling. 2 De maatschap heeft aangevoerd dat zij naar eer en geweten heeft gehandeld. Zij zegt ook dat de fout bij haar lag en niet bij de minister. Verder heeft zij erop gewezen dat de minister makkelijk kan controleren of de betreffende activiteit op een perceel is uitgevoerd. Van de minister kan echter niet worden gevergd om zonder dat voor een perceel een aanmelding (voor de eco-regeling) is gedaan, op eigen initiatief te controleren of voor dit perceel aan de voorwaarden voor de eco-regeling wordt voldaan.

Een landbouwer dient een perceel tijdig aan te melden voor de eco-regeling (artikel 10 van de Uitvoeringsregeling). Nu de maatschap dit bij perceel 380 niet heeft gedaan, heeft de minister de eco-activiteit op perceel 380 terecht niet meegenomen voor de eco-regeling. 3 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.P. Glerum en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. w.g.

A. Venekamp w.g. J.R. Willemstein