Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2026:156 ECLI:NL:CBB:2026:156 AI generated

ECLI:NL:CBB:2026:156 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2026:156
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/587 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [naam 1] VOF, te [woonplaats] (vennootschap) (gemachtigde: [naam 2] ) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur (gemachtigden: mr. M. Leegsma en C. Zieleman) Procesverloop Met het besluit van 8 juli 2021 heeft de minister de voor de vennootschap geregistreerde fosfaatrechten bepaald (besluit geregistreerde fosfaatrechten). Op 9 oktober 2023 heeft de vennootschap de minister verzocht dat besluit te heroverwegen/herzien.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2026:156 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Hij leest in die brief geen bezwaar en wijst het herzieningsverzoek af, omdat het besluit geregistreerde fosfaatrechten in rechte vaststaat. Nieuwe rechtspraak is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De afwijzing van het herzieningsverzoek is volgens de minister niet evident onredelijk. Beoordeling door het College Het bezwaar 2.1 De brief van 9 oktober 2023 heeft als onderwerp “bezwaar inzake afroming fosfaatrechten” en brengt helder tot uitdrukking dat de vennootschap het niet eens is met het besluit van 8 juli 2021 en gaat uitdrukkelijk en uitgebreid in op de verschoonbaarheid van de (te laat) ingediende bezwaren.

Keywords

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht
Nieuwe rechtspraak is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2023:88
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/221 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaak tussen [de B.V.] B.V., te [plaats] (de B.V.) (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CBB:2020:781
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 19/448 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. Wullink). Procesverloop Bij besluit van 6 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellant om de besluiten van 16 april 2012, 28 februari 2013, 7 maart 2013, 9 april 2013, 6 maart 2014, 13 maart 2014, 19 mei 2016, 13 juni 2016, 7 december 2016 en 16 december 2017 te herzien, afgewezen.
ECLI:NL:CRVB:2022:1106
20810 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 januari 2020, 19/1824 (aangevallen uitspraak) Partijen: het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 23 mei 2022 PROCESVERLOOP Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft drs. E. Groeneweg een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2022.
ECLI:NL:CRVB:2023:1422
22/2154 WSF Datum uitspraak: 12 juli 2023 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2022, 21/3226 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft haar vader [naam vader appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vader.
ECLI:NL:CRVB:2024:2178
20 2067 WIA Datum uitspraak: 20 november 2024 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2020, 19/4107 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante stichting] te [Vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 14 september 2022 een tussenuitspraak gedaan. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 29 november 2022 een zienswijze ingediend.
ECLI:NL:CBB:2025:234
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR DE BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1966 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2025 in de zaak tussen [naam 1] (B.V.) (gemachtigde: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/587 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen [naam 1] VOF, te [woonplaats] (vennootschap) (gemachtigde: [naam 2] ) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselkwaliteit en Natuur (gemachtigden: mr. M. Leegsma en C. Zieleman) Procesverloop Met het besluit van 8 juli 2021 heeft de minister de voor de vennootschap geregistreerde fosfaatrechten bepaald (besluit geregistreerde fosfaatrechten). Op 9 oktober 2023 heeft de vennootschap de minister verzocht dat besluit te heroverwegen/herzien.

Met het besluit van 13 maart 2024 (afwijzingsbesluit) heeft de minister het verzoek om terug te komen van het besluit van 8 juli 2021 afgewezen. Met het besluit van 6 juni 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. De vennootschap heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 3 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen en [naam 2] aan de zijde van de vennootschap. Overwegingen Inleiding 1.1 Op 28 april 2021 heeft de vennootschap bij de minister de overdracht van een melkveehouderij gemeld met de vennootschap als overnemende partij.

De overdracht betreft alle percelen, fosfaatrechten, dierproductierechten en betalingsrechten. 1.2 Met het besluit 8 juli 2021 heeft de minister op de fosfaatrechten een afroming van 20% toegepast. Met haar brief van 9 oktober 2023 heeft de vennootschap bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2021 en tevens verzocht om terug te komen van dat besluit. 1.3 Volgens de vennootschap blijkt uit de uitspraak van het College van 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:88) dat bij de overdracht van de (gehele) melkveehouderij, inclusief de daarop rustende productierechten, ten onrechte de fosfaatrechten zijn afgeroomd.

Haar bezwaar is verschoonbaar te laat, aangezien zij aanvankelijk heeft vertrouwd op de informatie van de minister dat de afroming terecht had plaats gevonden. Pas na de uitspraak van 28 februari 2023 werd haar duidelijk dat die informatie onjuist was. Door de afroming is 516 kg fosfaatrechten verloren gegaan en dat heeft blijvende gevolgen voor de omvang van de melkcapaciteit (en daardoor voor de financieringsmogelijkheden). De minister moet zorgen voor rechtsherstel. Door zijn louter formele benadering handhaaft de minister een onrechtmatige situatie. 1.4 De minister heeft de brief van 9 oktober 2023 opgevat als een herzieningsverzoek.

Hij leest in die brief geen bezwaar en wijst het herzieningsverzoek af, omdat het besluit geregistreerde fosfaatrechten in rechte vaststaat. Nieuwe rechtspraak is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De afwijzing van het herzieningsverzoek is volgens de minister niet evident onredelijk. Beoordeling door het College Het bezwaar 2.1 De brief van 9 oktober 2023 heeft als onderwerp “bezwaar inzake afroming fosfaatrechten” en brengt helder tot uitdrukking dat de vennootschap het niet eens is met het besluit van 8 juli 2021 en gaat uitdrukkelijk en uitgebreid in op de verschoonbaarheid van de (te laat) ingediende bezwaren.

Daarmee is de brief, anders dan de minister heeft aangenomen, (ook) een bezwaarschrift dat zich richt tegen het besluit van 8 juli 2021. Daarmee is het afwijzingsbesluit (tevens) de beslissing op het bezwaar en daartegen stond beroep (en geen bezwaar) open. In dit beroep zijn daarmee zowel het afwijzingsbesluit in zoverre daarin is beslist op dat bezwaar en het besluit van 6 juni 2024 (voor zover dat ziet op de afwijzing van het herzieningsverzoek) de bestreden besluiten. 2.2 Het op 9 oktober 2023 gemaakte bezwaar is, partijen zijn het daar ook over eens, te laat.

De bezwaartermijn is met meer dan twee jaar overschreden. Als reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn heeft de vennootschap niet meer aangevoerd dan dat de rechtspraak inmiddels uitwijst dat de afroming in het besluit van 8 juli 2021 niet juist is. Dat is onvoldoende om deze overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Op zich is de minister in zijn besluitvorming dus, zij het met een onjuiste redenering, met juistheid uitgegaan van de formele rechtskracht van het besluit van 8 juli 2021. Het herzieningsverzoek 2.3 De minister is als regel bevoegd om een herzieningsverzoek inhoudelijk te behandelen, ook als aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

De minister kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft hij dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst het College of er inderdaad geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het verzoek om herziening in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering om terug te komen van een eerder besluit naar het oordeel van het College evident onredelijk is (vergelijk de uitspraak van het College van 3 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:781). 2.4.1 Partijen zijn het er over eens dat nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hier ontbreken en daarmee spitst het geschil zich toe op de vraag of het vasthouden van de minister aan het besluit van 8 juli 2021 evident onredelijk is.

Die vraag beantwoordt het College ontkennend en hij overweegt daartoe het volgende. 2.4.2 De minister heeft (op de zitting) erkend dat het besluit van 8 juli 2021 onjuist is. Als een eerder besluit onmiskenbaar onjuist is, moet de minister een belangenafweging maken bij de beoordeling of de afwijzing van een verzoek om terug te komen van dat besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106, en 12 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1422). Hierbij spelen mede factoren als het nadeel dat het besluit veroorzaakt, of sprake is van een duuraanspraak, of de betrokkene heeft nagelaten (tijdig) rechtsmiddelen tegen het besluit aan te wenden en welke gevolgen het ongedaan maken van het besluit voor de uitvoeringspraktijk en de belangen van derden heeft (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2178). 2.4.3 De vennootschap heeft nagelaten (tijdig) rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit van 8 juli 2021.

De minister heeft er verder terecht op gewezen dat bij de overname het afromingspercentage redelijkerwijs bekend was en dat de vennootschap hiermee rekening heeft kunnen houden bij de bepaling van de koopprijs, zodat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk is dat zij als kopende partij hierdoor financieel nadeel heeft geleden of dat haar eigendomsrechten zijn aangetast. Het College verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 8 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:234). Conclusie 3 Het beroep is ongegrond. 4 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 w.g. R.C. Stam w.g. I.C. Hof