Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2025:72 ECLI:NL:CBB:2025:72 AI generated

ECLI:NL:CBB:2025:72 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2025:72
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/668 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. A.A. Dijk Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en haar gemachtigde mr. V.C. van der Velde en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes Beslissing Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen De minister heeft de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 ingetrokken.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2025:72 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In het bestreden besluit van 11 januari 2023 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen die intrekking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroepschrift binnen zes weken ingediend worden. Een te laat ingediend beroepschrift is alleen ontvankelijk als sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken (artikel 6:11 van de Awb). De minister heeft een verzendadministratie overgelegd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit op 11 januari 2023 per post aan de onderneming verzonden is.

Keywords

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 6:11 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroepschrift binnen zes weken ingediend worden.
artikel 6:11 van de Awb
Een te laat ingediend beroepschrift is alleen ontvankelijk als sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken (artikel 6:11 van de Awb).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/668 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2025 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. A.A. Dijk Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (onderneming), waarvoor aanwezig zijn [naam 2] en haar gemachtigde mr. V.C. van der Velde en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes Beslissing Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen De minister heeft de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 ingetrokken.

In het bestreden besluit van 11 januari 2023 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen die intrekking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroepschrift binnen zes weken ingediend worden. Een te laat ingediend beroepschrift is alleen ontvankelijk als sprake is van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken (artikel 6:11 van de Awb). De minister heeft een verzendadministratie overgelegd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit op 11 januari 2023 per post aan de onderneming verzonden is.

De onderneming heeft op 23 februari 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dat is één dag te laat. De minister heeft het bestreden besluit ook in het digitale portaal geplaatst en daar op 16 januari 2023 een notificatiemail over gestuurd. De minister merkt terecht op dat dat een service is en dat, anders dan de onderneming betoogt, daarmee de termijn om beroep in te stellen niet is opgeschoven. Het College heeft begrip voor de moeilijke situatie waar horecaondernemers destijds in verkeerden, maar van bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken is geen sprake.

Ten slotte maakt het feit dat er grote financiële belangen op het spel staan ook niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk