ECLI:NL:CBB:2025:236 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedproces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1257 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2025 op het verzet van [naam 1] , te [woonplaats] (onderneming) Voor de onderneming is aanwezig [naam 2] (de ondernemer). Voor de minister van Economische Zaken is aanwezig mr. P. van Veen. Rechter: mr. M. Schoneveld Griffier: mr. I.E. van de Geest Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Overwegingen 1. Het College heeft met de uitspraak van 25 juni 2024 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 1 mei 2023 ongegrond verklaard.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2025:236 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Voor de minister van Economische Zaken is aanwezig mr. P. van Veen. Rechter: mr. M. Schoneveld Griffier: mr. I.E. van de Geest Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Overwegingen 1. Het College heeft met de uitspraak van 25 juni 2024 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 1 mei 2023 ongegrond verklaard.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1257 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2025 op het verzet van [naam 1] , te [woonplaats] (onderneming) Voor de onderneming is aanwezig [naam 2] (de ondernemer). Voor de minister van Economische Zaken is aanwezig mr. P. van Veen. Rechter: mr. M. Schoneveld Griffier: mr. I.E. van de Geest Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Overwegingen 1. Het College heeft met de uitspraak van 25 juni 2024 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 1 mei 2023 ongegrond verklaard.
Het College heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen het besluit over de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. 2 In verzet tegen de uitspraak van 25 juni 2024 heeft de ondernemer aangevoerd dat hij het besluit nooit heeft gezien. Toen hij bekend raakte met het besluit, heeft hij direct gereageerd. Bij de aanvraag van de subsidie in het digitale portaal heeft de ondernemer onbewust “Ja” ingevuld bij de stelling "Ik ontvang alleen digitaal bericht over deze aanvraag”.
De ondernemer heeft ter zitting nog toegelicht dat de coronacrisis een moeilijke tijd was doordat hij niet mocht werken en het ook in de privésfeer moeilijk was. 3 De overschrijding van de termijn is aan de onderneming toe te rekenen. Zoals de ondernemer op de zitting heeft erkend, heeft hij het notificatiebericht wel ontvangen. Daarmee staat vast dat de ondernemer op de hoogte kon zijn van het besluit. Van de ondernemer mocht verwacht worden dat hij daarop reageert en tijdig in de digitale omgeving kijkt of er besluiten voor hem klaarstaan. De persoonlijke omstandigheden die de ondernemer aanvoert zijn niet zodanige bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. 4 Het verzet slaagt daarom niet.
De uitspraak van 25 juni 2024 blijft in stand. Dit betekent dat de procedure hiermee is geëindigd. w.g. M. Schoneveld w.g. I.E. van de Geest