Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:906 ECLI:NL:CBB:2024:906 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:906 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:906
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/235 en 23/549 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaken tussen [naam] B.V., te [plaats] (onderneming) (gemachtigde: mr. P.C. Nieuwenhuizen) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. H.G. Wammes en W. Dam) Procesverloop Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak (ECLI:NL:CBB:2024:484) verwijst het College naar de tussenuitspraak. Met de tussenuitspraak van 16 juli 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen, met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:906 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Conclusie 6 Omdat het College in zijn tussenuitspraak heeft geoordeeld dat de bestreden besluiten zorgvuldigheidsgebreken bevatten, zijn de beroepen gegrond en moeten de bestreden besluiten worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om (met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht) de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten gelet op wat hiervoor is overwogen over de aanvullende motivering van de minister. 7 Het College veroordeelt de minister in de door de onderneming gemaakte proceskosten.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2024:484
tussenuitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/235 en 23/549 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)(gemachtigde: mr. P.C. Nieuwenhuizen) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. H.G. Wammes en W. Dam). Procesverloop Met het besluit van 15 oktober 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor periode april tot en met juni 2021 (Q2 2021) afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2024:398
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/28, 23/32 en 23/33 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaken tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming) (gemachtigde: mr. [naam 2] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en C. Zieleman) Procesverloop Zaaknummer 23/33 Met het besluit van 12 januari 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie op grond van de TVL voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 vastgesteld op € 180.000,-. Met het besluit van 17 oktober 2022 (beslissing op bezwaar I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CBB:2024:27
Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
ECLI:NL:CBB:2024:31
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1049 uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de grote kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen Black Label Hotel Valkenburg B.V., te Maastricht (de onderneming) (gemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. E. Slot) Procesverloop Met het besluit van 5 januari 2022 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de aan de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) verleende subsidie voor het eerste kwartaal van 2021 vastgesteld op € 45.514,10,- en een bedrag van € 47.950,82 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/235 en 23/549 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2024 in de zaken tussen [naam] B.V., te [plaats] (onderneming) (gemachtigde: mr. P.C. Nieuwenhuizen) en de minister van Economische Zaken (gemachtigden: mr. H.G. Wammes en W. Dam) Procesverloop Voor het procesverloop tot de tussenuitspraak (ECLI:NL:CBB:2024:484) verwijst het College naar de tussenuitspraak. Met de tussenuitspraak van 16 juli 2024 heeft het College de minister in de gelegenheid gesteld binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen, met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.

Met zijn brief van 9 september 2024 heeft de minister de motivering van de bestreden besluiten aangevuld. De onderneming heeft op 8 oktober 2024 een zienswijze ingediend over de manier waarop het gebrek is hersteld. Het College heeft het onderzoek op 29 oktober 2024 gesloten. Overwegingen 1. Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst het College naar de bijlage bij de tussenuitspraak. 2 Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de minister een aanvullend verweer ingediend. De bestreden besluiten zijn ongewijzigd in stand gebleven. Ook heeft geen wijziging van de juridische grondslag hiervan plaatsgevonden.

Het College ziet de brief van 9 september 2024 daarom als aanvullende motivering voor de bestreden besluiten. Met de term ‘bestreden besluiten’ bedoelt het College hierna dan ook de bestreden besluiten inclusief de aanvullende motivering van 9 september 2024. 3 Het College heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat uit de bestreden besluiten niet blijkt dat de minister de feitelijke activiteiten van de onderneming heeft onderzocht. De minister heeft daarmee onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector en dat daarom een lager staatssteunplafond geldt. 4.1 De minister heeft in zijn aanvullende motivering de activiteiten van de onderneming uiteengezet waaruit de minister opmaakt dat zij vis verwerkt.

Gelet hierop concludeert de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 18 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:398) dat de onderneming valt onder de lagere staatssteungrens van de visserij. 4.2 De onderneming heeft naar aanleiding van de aanvullende motivering aangevoerd dat de conclusie van de minister niet juist is. Uitsluitend het portioneren en het verpakken van vis is volgens de onderneming niet het verwerken van vis. Volgens haar zijn de bestreden besluiten daarom nog steeds onzorgvuldig voorbereid. 5.1 Zoals overwogen in de tussenuitspraak zijn de activiteiten van de onderneming van doorslaggevend belang voor het oordeel of de onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector (zie ook de uitspraak van het College van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27)).

In de aanvullende motivering heeft de minister uiteengezet wat, na onderzoek, in zijn visie (onder meer) de feitelijke activiteiten van de onderneming zijn. De onderneming portioneert vis door middel van snijden en fileren en verpakt de vis overeenkomstig de wens van haar klant. Uit de zienswijze van de onderneming volgt dat de onderneming niet betwist dat zij deze feitelijke activiteiten uitvoert. Zij is het niet eens met de kwalificatie daarvan als ‘verwerking en afzet’. 5.2 Het College volgt het betoog van de onderneming niet en is van oordeel dat in ieder geval het deel van de activiteiten van de onderneming waarbij vis wordt geportioneerd door middel van snijden en fileren en vervolgens wordt verpakt, valt onder de verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en c, van Verordening 717/2014.

Het College verwijst ook naar zijn uitspraak van 4 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). De minister heeft met zijn nadere motivering dan ook voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector. 5.3 De conclusie luidt daarom dat de minister terecht het lagere staatssteunplafond heeft toegepast en in overeenstemming daarmee de subsidie van de onderneming heeft vastgesteld, dan wel de subsidieaanvraag heeft afgewezen. Met de aanvullende motivering heeft de minister het in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek in de bestreden besluiten hersteld.

Conclusie 6 Omdat het College in zijn tussenuitspraak heeft geoordeeld dat de bestreden besluiten zorgvuldigheidsgebreken bevatten, zijn de beroepen gegrond en moeten de bestreden besluiten worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om (met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht) de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten gelet op wat hiervoor is overwogen over de aanvullende motivering van de minister. 7 Het College veroordeelt de minister in de door de onderneming gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.187,50 (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze na toepassing van de bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1, waarbij beide zaken als samenhangend worden aangemerkt). Verder zal het College de minister opdragen het tweemaal betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden. Beslissing Het College: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven; draagt de minister op het betaalde griffierecht van in totaal € 730,- aan de onderneming te vergoeden; - veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming in beide zaken tot een bedrag van € 2.187,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024. w.g. D. Brugman de griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen