Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:899 ECLI:NL:CBB:2024:899 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:899 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:899
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/304 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2024 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. L.N. Foppen Partijen vennootschap onder firma [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvan de vennoten zijn [naam 2] en [naam 3] , beiden met bericht van verhindering niet verschenen bij de zitting, en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:899 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: B. Bastein Griffier: mr. L.N. Foppen Partijen vennootschap onder firma [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvan de vennoten zijn [naam 2] en [naam 3] , beiden met bericht van verhindering niet verschenen bij de zitting, en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/304 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2024 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. L.N. Foppen Partijen vennootschap onder firma [naam 1], te [plaats] (onderneming), waarvan de vennoten zijn [naam 2] en [naam 3] , beiden met bericht van verhindering niet verschenen bij de zitting, en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. S.F. Hu. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1.

De minister heeft de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd, omdat de onderneming niet heeft voldaan aan het vereiste in de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 dat sprake moet zijn van ten minste 30% omzetverlies in de subsidieperiode ten opzichte van de referentieperiode. De minister heeft vastgesteld dat de onderneming in Q1 van 2022 een omzetverlies heeft van 29,9%. 2 De onderneming is het er niet mee eens dat de subsidie voor Q1 van 2022 is vastgesteld op € 0,-.

De onderneming heeft in die periode een omzetverlies van 29,9%. Dat is afgerond 30%. Het bevreemdt de onderneming dat de Belastingdienst wel rekent met hele getallen en de minister met 0,10%. Deze uitkomst is voor de onderneming erg zuur, door de in de coronacrisis verloren omzet en de energie/grondstofcrisis waardoor de boekingen nog steeds maar mondjesmaat binnenkomen. 3 Het College heeft in verschillende zaken al uitspraak gedaan over het afronden van het percentage omzetverlies (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:704 en 11 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:353).

Dat het percentage omzetverlies niet wordt afgerond, is een bewuste keuze van de wetgever, waarbij aan de minister geen ruimte is gelaten om hiervan af te wijken. De subsidie is daarom terecht vastgesteld op € 0,-, omdat het omzetverlies van de onderneming voor het eerste kwartaal van 2022 niet ten minste 30% bedraagt. 4 De omstandigheid dat de onderneming net niet in aanmerking komt voor de gevraagde subsidie, maakt niet dat het vereiste van een omzetverlies van ten minste 30% daarom al in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, of dat de minister in dit geval een uitzondering had moeten maken.

Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wordt een uitzondering gemaakt. De omstandigheid dat de onderneming net niet voldoet aan het vereiste omzetverlies is geen zeer uitzonderlijke omstandigheid waardoor het besluit onevenredig uitpakt. w.g. B. Bastein w.g. L.N. Foppen