Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:894 ECLI:NL:CBB:2024:894 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:894 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:894
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/378 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. L.N. Foppen Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is mr. ing. A.N.M. van Bavel en [naam 2] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en A.M.D. Dijkstra Beslissing Het College: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan de onderneming een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 437,50.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:894 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Overwegingen 1. De onderneming voert aan dat de minister voor de referentieperiode Q3 van 2019 ten onrechte uit is gegaan van de omzet die is vermeld in de aangifte omzetbelasting. In september 2019 zijn er diverse koppels opfokzeugen verkocht en geëxporteerd door [naam 3] B.V., terwijl deze pas in oktober 2019 gefactureerd zijn. De aangifte omzetbelasting geeft daarom een vertekend beeld. De minister stelt zich op het standpunt dat hij vast mocht houden aan de omzet die blijkt uit de aangiftes omzetbelasting. Het omzetverlies komt dan op 28,9% en dus niet boven de 30%.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2022:5
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/605 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen Global Sports Communication B.V., te Nijmegen, appellante (gemachtigde: R.A.M. Reiniers), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. S. van Rijn en mr. M.J.H. van den Burgt). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2022:307
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1259 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] v.o.f., te [woonplaats] , [naam 2] (vertegenwoordigd door [naam 3] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman). Inleiding en samenvatting De minister heeft op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) een subsidie aan [naam 2] verleend voor de periode juni tot en met september 2020 van € 2.194,32.
ECLI:NL:CBB:2022:323
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/908 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] VOF, te [woonplaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 een subsidie verleend. Bij besluit van 30 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/378 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. L.N. Foppen Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is mr. ing. A.N.M. van Bavel en [naam 2] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma en A.M.D. Dijkstra Beslissing Het College: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan de onderneming een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen; veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 437,50.

Overwegingen 1. De onderneming voert aan dat de minister voor de referentieperiode Q3 van 2019 ten onrechte uit is gegaan van de omzet die is vermeld in de aangifte omzetbelasting. In september 2019 zijn er diverse koppels opfokzeugen verkocht en geëxporteerd door [naam 3] B.V., terwijl deze pas in oktober 2019 gefactureerd zijn. De aangifte omzetbelasting geeft daarom een vertekend beeld. De minister stelt zich op het standpunt dat hij vast mocht houden aan de omzet die blijkt uit de aangiftes omzetbelasting. Het omzetverlies komt dan op 28,9% en dus niet boven de 30%.

De subsidie is daarom volgens de minister terecht vastgesteld op nihil. 2 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323).

Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de omzet in het referentiekwartaal die bij de Belastingdienst is aangegeven volgens de onderneming een vertekend beeld geeft, maakt dit niet anders. Het beroep is daarom ongegrond. 3 Verder heeft de onderneming voorafgaand aan de zitting een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn. Die termijn is in deze zaak met ruim drie maanden overschreden. De overschrijding is toe te rekenen aan het College.

Het College zal daarom de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan de onderneming. Daarnaast veroordeelt het College de minister in de door de onderneming gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade, wegingsfactor 0,5 (licht), ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)). w.g. B. Bastein w.g. L.N. Foppen