Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:849 ECLI:NL:CBB:2024:849 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:849 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:849
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1442 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen [naam] B.V., te [woonplaats] (onderneming) (gemachtigde: mr. P. Brand) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 13 maart 2023 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 84.679,06 teruggevorderd. De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Beoordeling 1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:849 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister is voor de berekening van het omzetverlies uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. De onderneming vindt dat de minister uit had moeten gaan van de omzet die blijkt uit haar eigen administratie. Daarnaast stelt de onderneming dat zij onevenredig hard wordt getroffen door het bestreden besluit.

Keywords

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1442 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen [naam] B.V., te [woonplaats] (onderneming) (gemachtigde: mr. P. Brand) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 13 maart 2023 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 84.679,06 teruggevorderd. De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Beoordeling 1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

2. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister is voor de berekening van het omzetverlies uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. De onderneming vindt dat de minister uit had moeten gaan van de omzet die blijkt uit haar eigen administratie. Daarnaast stelt de onderneming dat zij onevenredig hard wordt getroffen door het bestreden besluit.

3. De onderneming heeft ook beroep ingesteld tegen besluiten van de minister over het derde en vierde kwartaal van 2021. Het College heeft op 23 juli 2024 uitspraak gedaan en die beroepen ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2024:526). In die uitspraak heeft het College geoordeeld dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetgegevens van de Belastingdienst en dat de besluiten niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. De onderneming heeft in deze zaak niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. Dat betekent dat de minister ook voor Q1 van 2022 terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. De minister mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen.

4. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024. w.g. B. Bastein w.g. A.A. Dijk Afschrift verzonden aan partijen op: Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.