Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:83 ECLI:NL:CBB:2024:83 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:83 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:83
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1989 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2024 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. D. Uç Partijen [naam 1] , te [plaats] , de onderneming, waarvoor aanwezig is [naam 2] , en de minister van Economische Zaken en Klimaat, waarvoor aanwezig zijn mr. A.M.D. Dijkstra en mr. Y. Mellah. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat de onderneming geen startende onderneming is, zodat de afwijkende referentieperiode in artikel 3, derde lid, van de TVL-regeling niet van toepassing is.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:83 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: R.W.L. Koopmans Griffier: mr. D. Uç Partijen [naam 1] , te [plaats] , de onderneming, waarvoor aanwezig is [naam 2] , en de minister van Economische Zaken en Klimaat, waarvoor aanwezig zijn mr. A.M.D. Dijkstra en mr. Y. Mellah. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat de onderneming geen startende onderneming is, zodat de afwijkende referentieperiode in artikel 3, derde lid, van de TVL-regeling niet van toepassing is.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1989 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2024 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. D. Uç Partijen [naam 1] , te [plaats] , de onderneming, waarvoor aanwezig is [naam 2] , en de minister van Economische Zaken en Klimaat, waarvoor aanwezig zijn mr. A.M.D. Dijkstra en mr. Y. Mellah. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat de onderneming geen startende onderneming is, zodat de afwijkende referentieperiode in artikel 3, derde lid, van de TVL-regeling niet van toepassing is.

De minister heeft er terecht op gewezen dat de TVL-regeling verder geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de berekening van het omzetverlies, zoals geregeld in artikel 3, tweede lid, van de TVL (vgl. uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:594). Dat komt er op neer dat bij de berekening van de omzet een derde van de omzet in het tweede kwartaal van 2020 opgeteld moet worden. Aan het verzoek van de onderneming om alleen de maand juni 2020 mee te nemen bij de berekening van het omzetverlies, kan dan ook niet worden tegemoet gekomen. 2 De minister heeft op basis van de aangifte omzetbelasting van de onderneming terecht geconcludeerd dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van omzetverlies.

Dat door vast te houden aan de referentieperiode en subsidieperiode in artikel 3 van de TVL-regeling niet aan de eis wordt voldaan dat sprake is van 30% omzetverlies, maakt niet dat de toepassing van de TVL-regeling op dit punt onevenredig is en de minister de omzet van de onderneming op andere wijze had moeten berekenen. 3 De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. D. Uç