Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:763 ECLI:NL:CBB:2024:763 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:763 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:763
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/634 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. A.A. Dijk Partijen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (de ondernemer), waarvoor aanwezig is [naam 3] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. T. Khidous en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Beslissing Het College: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de Staat tot betaling aan de ondernemer van een vergoeding voor immateriële schade van € 500,-; veroordeelt de Staat in de proceskosten van de ondernemer voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 437,50.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:763 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De minister hoefde de opbrengst van de verkoop van de kavel daarom niet buiten beschouwing te laten. Het bestreden besluit bevat geen motiveringsgebrek. De minister heeft voldoende gemotiveerd gereageerd op de kernpunten uit het bezwaarschrift. Van strijd met artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht is ook geen sprake. Het verslag van de hoorzitting zit in het dossier. 4.1 Het College stelt vast dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn (afgerond) met één maand is overschreden. Dat betekent dat de ondernemer recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

Keywords

AI generated
artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht
Van strijd met artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht is ook geen sprake.
artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht
Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan de ondernemer.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/634 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. A.A. Dijk Partijen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (de ondernemer), waarvoor aanwezig is [naam 3] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. T. Khidous en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Beslissing Het College: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de Staat tot betaling aan de ondernemer van een vergoeding voor immateriële schade van € 500,-; veroordeelt de Staat in de proceskosten van de ondernemer voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding tot een bedrag van € 437,50.

Overwegingen De minister heeft de subsidieaanvraag van de ondernemer voor Q3 van 2021 afgewezen omdat uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. Het is vaste jurisprudentie van het College dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. Er wordt geen onderscheid gemaakt op grond van de activiteiten waarmee die omzet gegenereerd wordt.

De minister hoefde de opbrengst van de verkoop van de kavel daarom niet buiten beschouwing te laten. Het bestreden besluit bevat geen motiveringsgebrek. De minister heeft voldoende gemotiveerd gereageerd op de kernpunten uit het bezwaarschrift. Van strijd met artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht is ook geen sprake. Het verslag van de hoorzitting zit in het dossier. 4.1 Het College stelt vast dat op het moment van deze uitspraak de redelijke termijn (afgerond) met één maand is overschreden. Dat betekent dat de ondernemer recht heeft op € 500,- schadevergoeding.

De overschrijding is volledig toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar minder dan zes maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan de ondernemer. 4.2 Het College veroordeelt de Staat tot vergoeding van de proceskosten die de ondernemer heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.

Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk