Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:726 ECLI:NL:CBB:2024:726 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:726 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:726
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/709 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)(gemachtigde: drs. H.A.P. Schrijnemakers MBA) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 30 mei 2022 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.290,- teruggevorderd.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:726 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De ondernemer exploiteert een horecagelegenheid en heeft daarnaast privévastgoed dat hij verhuurt. Volgens de ondernemer ziet de TVL alleen op de horecaonderneming en niet op de verhuur van privévastgoed. De minister had de subsidie daarom moeten vaststellen op basis van alleen de horecaomzet, zonder de verhuuropbrengsten daarbij op te tellen. De minister heeft de subsidie voor Q4 van 2020 ook op die manier vastgesteld. Hierdoor mocht de ondernemer ervan uitgaan dat de minister bij de vaststelling van de subsidieverlening voor Q1 van 2021 de omzet en het omzetverlies op gelijke wijze zou berekenen.

Keywords

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2022:5
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/605 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen Global Sports Communication B.V., te Nijmegen, appellante (gemachtigde: R.A.M. Reiniers), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. S. van Rijn en mr. M.J.H. van den Burgt). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2022:306
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1292 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] , de BV, (vertegenwoordigd door: [naam 2] en [naam 3] ) en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman). Inleiding en samenvatting De minister heeft op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) een subsidie aan de BV verleend voor het vierde kwartaal (Q4) 2020 van € 14.356,83.
ECLI:NL:CBB:2022:323
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/908 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] VOF, te [woonplaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 een subsidie verleend. Bij besluit van 30 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
ECLI:NL:CBB:2024:341
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1505 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 mei 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] (onderneming) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. S. Piron en mr. P. van Veen) en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Procesverloop Met het besluit van 22 februari 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/709 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)(gemachtigde: drs. H.A.P. Schrijnemakers MBA) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 30 mei 2022 heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.290,- teruggevorderd.

Met het besluit van 1 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard. De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Beoordeling 1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is. 2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste dat hij ten minste 30% omzetverlies heeft geleden. 3 De ondernemer stelt dat hij wel degelijk voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.

De ondernemer exploiteert een horecagelegenheid en heeft daarnaast privévastgoed dat hij verhuurt. Volgens de ondernemer ziet de TVL alleen op de horecaonderneming en niet op de verhuur van privévastgoed. De minister had de subsidie daarom moeten vaststellen op basis van alleen de horecaomzet, zonder de verhuuropbrengsten daarbij op te tellen. De minister heeft de subsidie voor Q4 van 2020 ook op die manier vastgesteld. Hierdoor mocht de ondernemer ervan uitgaan dat de minister bij de vaststelling van de subsidieverlening voor Q1 van 2021 de omzet en het omzetverlies op gelijke wijze zou berekenen.

De ondernemer stelt ten slotte dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. 4.1 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323).Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt.

Daarvoor geldt dat het gaat om alle omzet van de onder het betrokken Kamer van Koophandel-nummer geregistreerde onderneming, en wordt deze niet per ondernemingsactiviteit gesplitst. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de huuropbrengsten niet tot de omzet te rekenen. Volgens de door de Belastingdienst ontvangen aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en mocht daarom gebruikmaken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen. 4.2 Het College oordeelt dat de ondernemer geen geslaagd beroep op het rechtzekerheidsbeginsel kan doen.

De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het rechtzekerheidsbeginsel niet zo ver strekt dat hij een eerder gemaakte fout moet herhalen. Als de minister één keer een subsidie heeft verleend in afwijking van de TVL, is het in beginsel niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om dat in een andere subsidieperiode niet te doen (vergelijk (onder 2.7 van) de uitspraak van het College van 21 mei 2024, ECLI:NL:CBB:2024:341). Dat is hier het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Niet is gebleken dat de minister een concrete toezegging aan de ondernemer heeft gedaan dat de verhuuropbrengsten niet mee zouden worden genomen bij de berekening van de omzet en het omzetverlies.

Het bestreden besluit bevat ook geen motiveringsgebrek. De minister heeft voldoende gemotiveerd gereageerd op de kernpunten uit het bezwaarschrift. 5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. I.E. van de Geest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. I.E. van de Geest Afschrift verzonden aan partijen op: Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College.

U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.