Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:595 ECLI:NL:CBB:2024:595 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:595 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:595
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1216 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 4.971,16 teruggevorderd. Met het besluit van 27 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard. De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Beoordeling 1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:595 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De ondernemer voert aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsvoertuig uit zijn onderneming niet tot de omzet moet worden gerekend. Die verkoop is een daling van de waarde van zijn onderneming die door de afdracht van btw in de aangifte omzetbelasting terecht is gekomen. 4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies.

Keywords

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2022:5
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/605 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen Global Sports Communication B.V., te Nijmegen, appellante (gemachtigde: R.A.M. Reiniers), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. S. van Rijn en mr. M.J.H. van den Burgt). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2022:306
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1292 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [woonplaats] , de BV, (vertegenwoordigd door: [naam 2] en [naam 3] ) en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman). Inleiding en samenvatting De minister heeft op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) een subsidie aan de BV verleend voor het vierde kwartaal (Q4) 2020 van € 14.356,83.
ECLI:NL:CBB:2022:323
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/908 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] VOF, te [woonplaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 een subsidie verleend. Bij besluit van 30 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
ECLI:NL:CBB:2022:307
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1259 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] v.o.f., te [woonplaats] , [naam 2] (vertegenwoordigd door [naam 3] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman). Inleiding en samenvatting De minister heeft op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) een subsidie aan [naam 2] verleend voor de periode juni tot en met september 2020 van € 2.194,32.
ECLI:NL:CBB:2023:106
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/274 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaak tussen Alfa Gevelbouw B.V., te Eindhoven, appellante (gemachtigde: H.H.M.
ECLI:NL:CBB:2023:244
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/872 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2023 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (de ondernemer), en de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Met het besluit van 13 mei 2021 (besluit op aanvraag) heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1216 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 4.971,16 teruggevorderd. Met het besluit van 27 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard. De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Beoordeling 1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

2. De minister heeft de verleende subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.

3. De ondernemer voert aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsvoertuig uit zijn onderneming niet tot de omzet moet worden gerekend. Die verkoop is een daling van de waarde van zijn onderneming die door de afdracht van btw in de aangifte omzetbelasting terecht is gekomen. 4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies.

De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Het College heeft ook al zaken behandeld die specifiek gingen over de verkoop van bedrijfsauto’s en de vraag of de opbrengst daarvan als omzet in de zin van de TVL moet worden gezien. Zie onder andere de uitspraken van het College van 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106) en 23 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:244).

Uit die uitspraken volgt - kort gezegd - dat de opbrengst uit de verkoop van een bedrijfsauto als omzet van een onderneming moet worden aangemerkt, omdat het gaat om de opbrengst uit de levering van een goed van de onderneming. Het College ziet in de omstandigheden die de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om van het voorgaande af te wijken. Bovendien is de bedrijfsauto als omzet in de aangifte omzetbelasting over de subsidieperiode opgenomen. De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto moet dus tot de omzet gerekend worden. De reden waarom de ondernemer de verkoopopbrengst in de aangifte omzetbelasting heeft opgenomen, maakt niet dat de minister niet van de hoogte van de omzet in die aangifte mocht uitgaan. 5 De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.

De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. 6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024. w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema Afschrift verzonden aan partijen op: Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College.

U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Deze en de andere genoemde uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.