Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:593 ECLI:NL:CBB:2024:593 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:593 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:593
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1041 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen [naam] B.V., te [plaats] (onderneming) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen. Met het besluit van 6 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:593 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Op grond van de TVL voor Q1 van 2022 kan een onderneming die na 30 september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister als referentieomzet kiezen tussen de omzet in Q3 van 2020 of de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister; in dit geval Q1 van 2020. Dat volgt uit artikel 2.6.3, derde lid, aanhef en onder b, van de TVL. 4 De onderneming voert aan dat de minister een andere referentieperiode had moeten hanteren, omdat de omzet in de voorgeschreven referentieperioden niet representatief is.

Keywords

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2021:594
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/983 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen [naam VOF] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: A.J.
ECLI:NL:CBB:2022:751
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1049 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2022 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] , appellante en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. H.G.M. Wammes en mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 22 april 2021 (het primaire besluit) heeft (destijds) de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (de staatssecretaris) aan appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 een subsidie van € 9.867,76 toegekend.
ECLI:NL:CBB:2024:461
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/270 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2024 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] (onderneming) (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CBB:2022:670
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1050 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2022 in de zaak tussen [naam 1] en meer, te [plaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman). Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 een subsidie verleend van € 12.283,26. Bij besluit van 4 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CBB:2023:183
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1324 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2023 in de zaak tussen [de onderneming] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: [naam] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) (gemachtigden: mr. C. Zieleman en mr. M. van den Brink). Procesverloop Met het besluit van 17 februari 2021 (het afwijzingsbesluit) heeft (destijds) de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 (Q4 2020) afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2023:184
De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2021.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1041 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen [naam] B.V., te [plaats] (onderneming) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen. Met het besluit van 6 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Beoordeling 1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is. 2 De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. 3 De onderneming is op 4 november 2019 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Op grond van de TVL voor Q1 van 2022 kan een onderneming die na 30 september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister als referentieomzet kiezen tussen de omzet in Q3 van 2020 of de omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de inschrijving in het handelsregister; in dit geval Q1 van 2020. Dat volgt uit artikel 2.6.3, derde lid, aanhef en onder b, van de TVL. 4 De onderneming voert aan dat de minister een andere referentieperiode had moeten hanteren, omdat de omzet in de voorgeschreven referentieperioden niet representatief is.

In Q3 van 2020 was sprake van een gedeeltelijke lockdown als gevolg waarvan de omzet 50% lager was, en in Q1 van 2020 zat de onderneming nog in de opstartfase. 5.1 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens overwogen dat de TVL geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de in de TVL genoemde referentieperioden. De regelgever heeft geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Het doel van de TVL is om ondernemingen over voldoende liquide middelen te laten beschikken om hun vaste lasten te kunnen blijven betalen, ook als zij als gevolg van de coronamaatregelen van de overheid minder of zelfs geen omzet behalen.

Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zoveel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, wijkt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen af van de TVL. Het College heeft steeds geoordeeld dat dit niet onrechtmatig is, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2021:594), 8 november 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:751) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:461). 5.2 Dat de referentieperiode Q1 van 2020 door de opstartfase van de onderneming betekent dat zij niet aan het omzetvereiste voldoet, is geen zeer bijzonder geval.

Vergelijk onder 6.2 van de uitspraak van het College van 27 september 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:670). Dat de onderneming in Q3 van 2020 gedeeltelijk gesloten was, is dat ook niet. Vergelijk onder 4.4 van de uitspraak van het College van 11 april 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:183), over een ander beroep van de onderneming. 5.3 Het betoog dat de TVL onredelijk uitpakt voor de onderneming ten opzichte van andere ondernemingen, heeft het College in eerdere beroepszaken van de onderneming al besproken. Het College verwijst hiervoor naar zijn uitspraken van 11 april 2023: de hiervoor aangehaalde uitspraak onder 4.9 en ECLI:NL:CBB:2023:184 onder 5.6.

Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. 6 Het College is dan ook van oordeel dat de minister de subsidieaanvraag terecht heeft afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. 7 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024. w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Deze en de andere genoemde uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.