Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:577 ECLI:NL:CBB:2024:577 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:577 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:577
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/474 en 23/1090 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2024 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. A.A. Dijk Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn haar gemachtigde mr. drs. J.P.G. Paffen en [naam 2] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. P van Veen en mr. A.M.D. Dijkstra Beslissing Het College verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen De minister heeft in dit geval terecht het staatssteunplafond gehanteerd dat geldt voor ondernemingen actief in de visserij- en aquacultuursector.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:577 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De onderneming heeft toegelicht dat zij zelf geen vis vangt, maar deze alleen verwerkt (fileren, snijden, wegen, invriezen, verpakken). Het College heeft in zijn uitspraak van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27) geoordeeld dat ook ondernemingen die (alleen) vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Dat geldt dus ook voor deze onderneming. Dat de onderneming mogelijk ook nog andere, niet vis gerelateerde, activiteiten onderneemt, doet daar ook niet aan af. De uitzondering uit artikel 1, eerste lid, onder a, van Verordening 717/2014 waar de onderneming zich op beroept, is hier niet van toepassing.

Cited Case Law

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/474 en 23/1090 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2024 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. A.A. Dijk Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig zijn haar gemachtigde mr. drs. J.P.G. Paffen en [naam 2] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. P van Veen en mr. A.M.D. Dijkstra Beslissing Het College verklaart de beroepen ongegrond. Overwegingen De minister heeft in dit geval terecht het staatssteunplafond gehanteerd dat geldt voor ondernemingen actief in de visserij- en aquacultuursector.

De onderneming heeft toegelicht dat zij zelf geen vis vangt, maar deze alleen verwerkt (fileren, snijden, wegen, invriezen, verpakken). Het College heeft in zijn uitspraak van 23 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:27) geoordeeld dat ook ondernemingen die (alleen) vis verwerken en afzetten onder de visserij- en aquacultuursector vallen. Dat geldt dus ook voor deze onderneming. Dat de onderneming mogelijk ook nog andere, niet vis gerelateerde, activiteiten onderneemt, doet daar ook niet aan af. De uitzondering uit artikel 1, eerste lid, onder a, van Verordening 717/2014 waar de onderneming zich op beroept, is hier niet van toepassing.

Die uitzondering gaat over een ander type subsidies. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Uit de uitspraak van het College van 23 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:289) volgt dat een beroep op deze beginselen er niet toe kan leiden dat de onderneming een voordeel verkrijgt dat in strijd is met een duidelijke Unierechtelijke bepaling, in dit geval de bepaling waaruit volgt dat het staatssteunplafond niet mag worden overschreven. Verder is geen sprake van een motiveringsgebrek, omdat de minister duidelijk heeft gemotiveerd dat en waarom het staatsteunplafond voor de onderneming geldt.

De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 van 2021 vast te stellen op € 270.000,- en de subsidie voor Q2 van 2021 op € 0,-. De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk