Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:537 ECLI:NL:CBB:2024:537 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:537 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:537
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/607 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen [naam] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: V. de Jong) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 24 oktober 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.622,20 teruggevorderd.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:537 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Eén van de vereisten is dat het omzetverlies in de subsidieperiode (Q4 van 2021) ten opzichte van de referentieperiode (in dit geval Q1 van 2020) ten minste 20% moet bedragen. Als een ondernemer over zijn gehele omzet aangifte omzetbelasting doet, gebruikt de minister bij het berekenen van het omzetverlies de omzet die uit de aangifte blijkt. Dit staat in artikel 2.5.3, zesde lid, van de TVL. De regelgever heeft daar bewust voor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld.

Keywords

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2022:5
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/605 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen Global Sports Communication B.V., te Nijmegen, appellante (gemachtigde: R.A.M. Reiniers), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. S. van Rijn en mr. M.J.H. van den Burgt). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2022:307
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1259 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] v.o.f., te [woonplaats] , [naam 2] (vertegenwoordigd door [naam 3] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman). Inleiding en samenvatting De minister heeft op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) een subsidie aan [naam 2] verleend voor de periode juni tot en met september 2020 van € 2.194,32.
ECLI:NL:CBB:2022:323
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/908 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] VOF, te [woonplaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 een subsidie verleend. Bij besluit van 30 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/607 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen [naam] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: V. de Jong) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 24 oktober 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.622,20 teruggevorderd.

Met het besluit van 5 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard. De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Beoordeling Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.

De onderneming voert aan dat de in de aangifte omzetbelasting opgegeven omzet voor Q1 van 2020 (de referentieperiode) aanzienlijk afwijkt van de daadwerkelijk gemaakte omzet in deze periode. In bezwaar heeft zij daarom een uitdraai uit haar boekhouding (grootboekkaarten) overgelegd waaruit de daadwerkelijke omzet blijkt. Ten onrechte heeft de minister hier niets mee gedaan. Nergens in de TVL is bepaald dat de aangifte omzetbelasting leidend is. De werkelijke omzet dient daarom als basis te dienen. Dit staat ook op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

De onderneming stelt dat zij vergelijkbare gevallen kent waar de aangifte omzetbelasting ook niet aansluit bij de werkelijke omzet en waar de minister bij de definitieve berekening van het omzetverlies is uitgegaan van de omzet die uit de grootboekkaarten blijkt. Het College is van oordeel dat de minister gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. Daartoe is het volgende van belang. 4.1 De TVL bevat (per subsidieperiode) een aantal vereisten waaraan moet worden voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen.

Eén van de vereisten is dat het omzetverlies in de subsidieperiode (Q4 van 2021) ten opzichte van de referentieperiode (in dit geval Q1 van 2020) ten minste 20% moet bedragen. Als een ondernemer over zijn gehele omzet aangifte omzetbelasting doet, gebruikt de minister bij het berekenen van het omzetverlies de omzet die uit de aangifte blijkt. Dit staat in artikel 2.5.3, zesde lid, van de TVL. De regelgever heeft daar bewust voor gekozen in verband met de uitvoerbaarheid van de TVL en de beperking van de administratieve lasten. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld.

Daarin heeft het telkens geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Alleen als een onderneming niet over haar gehele omzet aangifte omzetbelasting doet, kan worden gekeken naar de financiële administratie van de onderneming. Die situatie is in deze zaak niet aan de orde. Het College is daarom van oordeel dat de minister ook in deze zaak terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. 4.2 De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de website van de RVO staat, of op enig moment heeft gestaan, dat niet de aangifte omzetbelasting, maar de financiële administratie leidend zou zijn.

De minister heeft in het verweerschrift bovendien uitgelegd wat er wél op de website van de RVO staat, namelijk welke posten uit de aangifte omzetbelasting een ondernemer kan gebruiken bij het indienen van zijn subsidieaanvraag. 4.3 Ten slotte is ook niet gebleken dat er vergelijkbare gevallen zijn waarin de minister wél is uitgegaan van de financiële administratie. De onderneming heeft niet verwezen naar specifieke ondernemingen waarbij dit het geval zou zijn, zodat de minister niet heeft kunnen vaststellen of het om gelijke gevallen gaat. Zoals de minister in het verweerschrift terecht opmerkt, zijn er wel ondernemingen die hun eigen administratie mogen gebruiken bij de subsidieaanvraag, maar dat zijn ondernemingen die niet over hun gehele omzet aangifte omzetbelasting doen.

Dit zijn dus geen vergelijkbare gevallen, aangezien de onderneming wél over haar gehele omzet aangifte doet. 5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk Afschrift verzonden aan partijen op: Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College.

U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.