Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:533 ECLI:NL:CBB:2024:533 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:533 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:533
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/591 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] (de onderneming) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 28 september 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 3.096,46 teruggevorderd. Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2024:533 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De onderneming voert aan dat zij in de subsidieperiode (Q4 van 2021) haar zakelijke auto heeft verkocht en daarmee het restantbedrag van de lease heeft afgelost. De opbrengst van de verkoop is in de aangifte omzetbelasting opgenomen als omzet, maar moet volgens de onderneming niet als omzet worden beschouwd bij de berekening van het omzetverlies voor de TVL. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies.

Keywords

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2022:5
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/605 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2022 in de zaak tussen Global Sports Communication B.V., te Nijmegen, appellante (gemachtigde: R.A.M. Reiniers), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. S. van Rijn en mr. M.J.H. van den Burgt). Procesverloop Bij besluit van 5 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) voor de periode juni tot en met september 2020 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2022:307
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1259 uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2022 in de zaak tussen [naam 1] v.o.f., te [woonplaats] , [naam 2] (vertegenwoordigd door [naam 3] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes en mr. drs. P.J. Kooiman). Inleiding en samenvatting De minister heeft op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) een subsidie aan [naam 2] verleend voor de periode juni tot en met september 2020 van € 2.194,32.
ECLI:NL:CBB:2022:784
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/61 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2022 in de zaak tussen [naam 1] V.O.F., h.o.d.n.
ECLI:NL:CBB:2023:106
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/274 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 februari 2023 in de zaak tussen Alfa Gevelbouw B.V., te Eindhoven, appellante (gemachtigde: H.H.M.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/591 uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] (de onderneming) en de minister van Economische Zaken Procesverloop Met het besluit van 28 september 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 3.096,46 teruggevorderd. Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Beoordeling Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is. De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.

De onderneming voert aan dat zij in de subsidieperiode (Q4 van 2021) haar zakelijke auto heeft verkocht en daarmee het restantbedrag van de lease heeft afgelost. De opbrengst van de verkoop is in de aangifte omzetbelasting opgenomen als omzet, maar moet volgens de onderneming niet als omzet worden beschouwd bij de berekening van het omzetverlies voor de TVL. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies.

De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de auto niet tot de omzet te rekenen.

Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag namelijk wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. 5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr.

A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk Afschrift verzonden aan partijen op: Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.

Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.