Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:493 ECLI:NL:CBB:2024:493 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:493 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:493
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/217 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2024 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. F. Willems Partijen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer), waarvoor aanwezig zijn de ondernemer en [naam 3] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. P. van Veen Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:493 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: B. Bastein Griffier: mr. F. Willems Partijen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer), waarvoor aanwezig zijn de ondernemer en [naam 3] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. P. van Veen Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/217 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2024 Rechter: mr. B. Bastein Griffier: mr. F. Willems Partijen [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] , (ondernemer), waarvoor aanwezig zijn de ondernemer en [naam 3] en de minister van Economische Zaken, vertegenwoordigd door mr. M. Achalhi en mr. P. van Veen Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld.

De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) niet representatief is, omdat zij pas in oktober 2018 kon starten met haar onderneming. De ondernemer wil daarom dat een andere referentieperiode wordt gebruikt. 2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De TVL biedt geen mogelijkheid om af te wijken van de in de regeling genoemde referentieperiode(s). Ook is er geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering.

Daarvan is in het geval van de ondernemer geen sprake. 3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens in de referentieperiode, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen. Het College ziet in wat de onderneming heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de minister daarvan in dit geval had moeten afzien. w.g. B. Bastein w.g. F. Willems