ECLI:NL:CBB:2024:423 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generateduitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/152 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 op het verzet van Larditron Projects B.V., te Maastricht-Airport (de onderneming) Procesverloop De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 30 april 2024 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting. Overwegingen 1. Met de uitspraak van 30 april 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 december 2022 ongegrond verklaard.
Legislator headnote
AI generatedartikel 6:7 van de Awb, artikel 6:11 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2024:423 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Overwegingen 1. Met de uitspraak van 30 april 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 december 2022 ongegrond verklaard.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/152 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2024 op het verzet van Larditron Projects B.V., te Maastricht-Airport (de onderneming) Procesverloop De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College van 30 april 2024 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting. Overwegingen 1. Met de uitspraak van 30 april 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 december 2022 ongegrond verklaard.
Met het besluit van 12 december 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 8 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. 2 In verzet heeft de onderneming het volgende aangevoerd. Onder het besluit van 8 september 2021 staat dat binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt. De onderneming heeft dat zo begrepen en ook mogen begrijpen, dat bij voorkeur binnen zes weken bezwaar moet worden gemaakt en niet dat dit uitsluitend binnen zes weken kan.
Zij beroept zich daarbij ook op het feit dat het College later in de procedure aan de minister heeft verzocht binnen vier weken een verweerschrift in te dienen en vervolgens, toen geen verweerschrift was ingediend, de minister daarvoor twee keer een nieuwe termijn heeft gegeven. 3 Het College volgt de onderneming niet. De zinsnede dat “binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt” kan redelijkerwijs niet zo worden begrepen als de onderneming wil. Het beroep op de gang van zaken rond het verweerschrift ziet eraan voorbij dat de bezwaartermijn (artikel 6:7 van de Awb) door het bestuursorgaan niet kan worden verlengd en de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij onverschoonbare termijnoverschrijding (artikel 6:11 van de Awb) dwingend is, terwijl de termijn voor het indienen van een verweerschrift (artikel 8:42, eerste lid, van de Awb) door de bestuursrechter wel kan worden verlengd (artikel 8:42, tweede lid, van de Awb). 4 Het verzet is daarom ongegrond.
Dat betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd. 5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024. w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel