Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2024:348 ECLI:NL:CBB:2024:348 AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:348 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2024:348
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2455 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: S.T.M. Reichgelt) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. S.F. Hu en B. Groen) Procesverloop Met het besluit van 7 februari 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 afgewezen. Met het besluit van 17 oktober 2022 (beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2024:348 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Deze inschrijfdatum ligt na 30 juni 2020, zodat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder c, en artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL heeft afgewezen. Conclusie 6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024. w.g.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2022:138
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 21/67 en 21/658 uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2022 in de zaken tussen [naam 1] h.o.d.n.
ECLI:NL:CBB:2022:139
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/433 uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2022 in de zaak tussen [naam 1] t.h.o.d.n.
ECLI:NL:CBB:2022:743
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1320 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2022 in de zaak tussen VOF [naam 1] , te [plaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes). Procesverloop Bij besluit van 20 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellante om subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKBondernemingen COVID-19 (de SVL) voor de periode januari tot en met maart 2021.
ECLI:NL:CBB:2022:783
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 21/1398 en 22/802 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2022 in de zaak tussen [naam 1] h.o.d.n.
ECLI:NL:CBB:2023:445
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 22/1752 en 22/2456 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2023 in de zaken tussen Vleesvarkenshouderij [naam 1] B.V., te [plaats] (de B.V.) (gemachtigde: mr. J.C. Poppe) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes) Procesverloop 22/1752 Met het besluit van 16 maart 2021 (het afwijzingsbesluit 1) heeft de minister de aanvraag van de B.V. op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor de periode januari, februari, maart (Q1) van 2021 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2024:85
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 22/2164 t/m 22/2166, 22/2170 t/m 22/2175, 22/2184 en 22/2227 uitspraak van de meervoudige kamer van 6 februari 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats 1] [naam 2] B.V., te [plaats 2] [naam 3] B.V., te [plaats 3] [naam 4] B.V., te [plaats 4] (de ondernemingen) (gemachtigden: mr. S.M.B.W. Oosterbeek en mr. L. Prinsen) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: C. Zieleman en mr. M.P. Beudeker) Procesverloop De ondernemingen hebben beroep ingesteld tegen (afzonderlijke) besluiten van de minister van 6 en 7 september 2022.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2455 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2024 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: S.T.M. Reichgelt) en de minister van Economische Zaken en Klimaat (gemachtigden: mr. S.F. Hu en B. Groen) Procesverloop Met het besluit van 7 februari 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 afgewezen. Met het besluit van 17 oktober 2022 (beslissing op bezwaar) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

De onderneming heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 7 maart 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen. Overwegingen 1. Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Inleiding 2 De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat de onderneming op 30 juni 2020 niet stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK).

De onderneming valt daardoor niet onder de doelgroep van de TVL. De onderneming heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing en toegelicht dat zij een voortzetting is van een eerdere onderneming, de oorspronkelijke vennootschap onder firma (vof) met de handelsnaam [naam 2] . Volgens de minister is geen sprake van een voortzetting, omdat die oorspronkelijke vennootschap is gesplitst in twee verschillende entiteiten. De onderneming is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Standpunt van de onderneming 3 De onderneming voert aan dat wél sprake is van een voortzetting van de oorspronkelijke vof.

Deze vof had meerdere vestigingen en is op 26 september 2021 ontbonden en gesplitst, waarna de twee eigenaren allebei met een eigen onderneming verder zijn gegaan. De onderneming heeft [naam 1] , in eerste instantie in de vorm van een eenmanszaak, voortgezet. Dit is voldoende aangetoond, omdat ook het inschrijfformulier van [naam 1] bij de KvK vermeldt dat de oorspronkelijke vof is voortgezet. Standpunt van de minister 4 De minister stelt zich op het standpunt dat de onderneming geen voortzetting is van de oorspronkelijke vof. Om als voortzetting te kunnen worden aangemerkt, moet sprake zijn van het overnemen van de kenmerkende eigenschappen.

Ter onderbouwing hiervan verwijst de minister naar de uitspraken van het College van 29 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:138 en ECLI:NL:CBB:2022:139). Daarnaast volgt uit de uitspraak van het College van 8 november 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:743) dat ook moet worden gekeken naar de kenmerken in de oude en de nieuwe situatie. In dit geval vindt de minister dat de oorspronkelijke vof niet is voortgezet door de eenmanszaak [naam 1] , de voorganger van de onderneming. De oorspronkelijke vof bestond uit meerdere vestigingen. Eén van de vestigingen is overgenomen door de eenmanszaak [naam 1] en de andere vestiging is overgedragen aan [naam 2] B.V.

Verder is de handelsnaam van de eenmanszaak, [naam 1] , gewijzigd ten opzichte van de handelsnaam van de oorspronkelijke vof, [naam 2] . Volgens de minister is sprake van een splitsing van de oorspronkelijk vof en dus niet van een voortzetting. Hierdoor moet de onderneming worden gezien als nieuwe onderneming in de zin van de TVL. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de minister naar de uitspraken van het College van 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:783) en 22 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:445). Op de zitting heeft de minister nog verwezen naar de uitspraak van het College van 6 februari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:85), waarin het College ook in het geval van een splitsing heeft geoordeeld dat geen sprake is van een voortzetting.

De minister concludeert dat de inschrijfdatum van de onderneming in dit geval 26 september 2021 is. Deze datum ligt na de datum van 30 juni 2020, zodat de onderneming niet voldoet aan de voorwaarden om voor een subsidie op grond van de TVL in aanmerking te komen. Beoordeling door het College 5.1 Tussen partijen is in geschil of de minister de eenmanszaak [naam 1] , waarvan de onderneming de rechtsopvolger is, terecht als startende onderneming heeft aangemerkt en niet als voortzetting van de vof. Uit twee uitspraken van het College van 29 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:138 en ECLI:NL:CBB:2022:139) volgt dat bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een voortzetting van een onderneming moet worden gekeken of de kenmerkende eigenschappen van die onderneming bij de overname bewaard zijn gebleven.

Relevant is bijvoorbeeld of de nieuwe eigenaar de onderneming inclusief handelsnaam, vaste activa, personeel en klantenbestand heeft overgenomen, of sprake is van hetzelfde vestigingsadres en of sprake is van dezelfde bedrijfsactiviteiten. Er moet gekeken worden naar de kenmerken van de onderneming in de oude en de nieuwe situatie. 5.2 Het College is van oordeel dat de onderneming niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een voortzetting van de oorspronkelijke vof. Dat de onderneming op het inschrijfformulier van de eenmanszaak bij de KvK heeft aangegeven dat sprake is van een voortzetting van [naam 1] , betekent nog niet dat ook in de zin van de TVL sprake is van een voortzetting van de oorspronkelijke vof.

Zoals hiervoor is overwogen, is daartoe relevant of de kenmerkende eigenschappen van die vof bewaard zijn gebleven. Dat is naar het oordeel van het College niet het geval. De oorspronkelijke vof is gesplitst in twee verschillende ondernemingen. Deze splitsing heeft tot gevolg dat slechts een deel van de oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten door de eenmanszaak zijn overgenomen. Door de splitsing zijn de kenmerkende eigenschappen van de oorspronkelijke vof dus onvoldoende bewaard gebleven in de nieuwe situatie. Naar het oordeel van het College heeft de minister dan ook terecht geconcludeerd dat geen sprake is van voortzetting van de oorspronkelijke vof. 5.3 Omdat geen sprake is van een voortzetting van de oorspronkelijke vof, heeft de minister de eenmanszaak terecht aangemerkt als nieuw gestarte onderneming met als inschrijfdatum 26 september 2021.

Deze inschrijfdatum ligt na 30 juni 2020, zodat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2.5.2, tweede lid, aanhef en onder c, en artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de TVL heeft afgewezen. Conclusie 6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2024. w.g.

M.P. Glerum w.g. L. van Loon Bijlage Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 Artikel 2.5.1 (begripsbepalingen) luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. (…) peildatum: de peildatum voor de getroffen MKB-onderneming, zijnde 15 maart 2020 voor een getroffen MKB-onderneming met een inschrijfdatum in het handelsregister die ligt in de periode tot en met 15 maart 2020 onderscheidenlijk 30 juni 2020 voor een getroffen MKB-onderneming met een inschrijfdatum in het handelsregister die ligt in de periode van 16 maart 2020 tot en met 30 juni 2020; (…)” Artikel 2.5.2 (verstrekking subsidie) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2021.

2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming: a. waarvan het omzetverlies ten minste 20% bedraagt; b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 1.500 bedraagt; c. die op de peildatum in het handelsregister stond ingeschreven; (…)” Artikel 2.5.5 (afwijzingsgronden) luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag: a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels; (…)”