ECLI:NL:CBB:2024:280 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedproces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2504 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024 Raadsheer: mr. B. Bastein Griffier: mr. F. Willems Partijen [naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont en de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:CBB:2024:280 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende. 3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen. w.g.
Full text
proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/2504 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2024 Raadsheer: mr. B. Bastein Griffier: mr. F. Willems Partijen [naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer), vertegenwoordigd door de ondernemer en J. Lont en de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. H.G.M. Wammes Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De ondernemer is het er niet mee eens dat de minister de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil heeft vastgesteld.
De minister heeft volgens de ondernemer er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de omzet in de referentieperiode (Q1 van 2019) is gebaseerd op het kasstelsel en de omzet in de subsidieperiode op het factuurstelsel. 2 Het College geeft de ondernemer geen gelijk. De minister heeft de TVL goed toegepast door bij de berekening van het omzetverlies uit te gaan van de aangiften omzetbelasting. Hoewel dit nadelig uitpakt voor de ondernemer, biedt de TVL geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. De regelgever heeft namelijk geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL.
Niet is gebleken dat sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het bestreden besluit onevenredig nadelig uitpakt, zodat de minister alsnog een uitzondering moest maken. De wijziging die de ondernemer om praktische redenen heeft doorgevoerd in zijn administratie, is hiervoor onvoldoende. 3 Tussen partijen is niet in geschil dat als gebruik wordt gemaakt van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De minister was daarom bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie voor Q1 van 2021 op nihil vast te stellen. w.g.
B. Bastein w.g. F. Willems