ECLI:NL:CBB:2023:9 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1248 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 op het verzet van Maatschap [naam] , te [woonplaats] , appellante Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (staatssecretaris) van 5 oktober 2021. Bij uitspraak van 10 mei 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 10 mei 2022 verzet gedaan. Overwegingen 1. In het besluit van 5 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. In de uitspraak van 10 mei 2022 heeft het College geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2023:9 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In haar verzetschrift herhaalt appellante wat zij eerder al had aangevoerd. Dat brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 10 mei 2022 niet juist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van appellante niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1248 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2023 op het verzet van Maatschap [naam] , te [woonplaats] , appellante Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (staatssecretaris) van 5 oktober 2021. Bij uitspraak van 10 mei 2022 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, het beroep ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 10 mei 2022 verzet gedaan. Overwegingen 1. In het besluit van 5 oktober 2021 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. In de uitspraak van 10 mei 2022 heeft het College geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In haar verzetschrift herhaalt appellante wat zij eerder al had aangevoerd. Dat brengt het College niet tot het oordeel dat de uitspraak van 10 mei 2022 niet juist is. De termijnoverschrijding is niet verontschuldigbaar. Het verzet moet daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van appellante niet inhoudelijk zal worden behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
3. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2023. w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt