Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2023:571 ECLI:NL:CBB:2023:571 AI generated

ECLI:NL:CBB:2023:571 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2023:571
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/1604 en 23/1606 uitspraak met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de voorzieningenrechter van 13 september 2023 in de zaken tussen [naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , verzoeker, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister. Samenvatting In deze uitspraak oordeelt het College dat de verzoeken van verzoeker nietontvankelijk zijn omdat verzoeker geen griffierechten heeft betaald. Dit betekent dat het College de verzoeken niet inhoudelijk beoordeelt. Beoordeling 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:41 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2023:571 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: [naam 2] , te [plaats] , verzoeker, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister. Samenvatting In deze uitspraak oordeelt het College dat de verzoeken van verzoeker nietontvankelijk zijn omdat verzoeker geen griffierechten heeft betaald. Dit betekent dat het College de verzoeken niet inhoudelijk beoordeelt. Beoordeling 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Keywords

AI generated
artikel 8:41 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:41 van de Awb

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/1604 en 23/1606 uitspraak met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de voorzieningenrechter van 13 september 2023 in de zaken tussen [naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , verzoeker, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister. Samenvatting In deze uitspraak oordeelt het College dat de verzoeken van verzoeker nietontvankelijk zijn omdat verzoeker geen griffierechten heeft betaald. Dit betekent dat het College de verzoeken niet inhoudelijk beoordeelt. Beoordeling 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van het verzoekschrift door de griffier een griffierecht geheven. Artikel 8:82, derde lid, van de Awb verklaart het derde tot en met het zesde lid van artikel 8:41 van de Awb van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het verschuldigde griffierecht op de bankrekening van het College moet zijn bijgeschreven of contant ter griffie zijn gestort binnen twee weken nadat de griffier de indiener heeft meegedeeld welk griffierecht verschuldigd is. Het zesde lid van artikel 8:41 van de Awb bepaalt dat het verzoek niet-ontvankelijk is als het griffierecht niet tijdig is betaald. Van niet-ontvankelijkverklaring zal worden afgezien als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3. Op 11 augustus 2023 heeft de griffier per aangetekende post voor beide zaken een nota gezonden met de mededeling dat de griffierechten binnen twee weken na dagtekening van die nota moeten zijn betaald. Deze nota’s zijn op 15 augustus 2023 bezorgd. De nota’s zijn verzonden naar het adres dat verzoeker in de verzoekschriften heeft vermeld.

4. In de nota’s van 11 augustus 2023 is meegedeeld dat niet of niet tijdige betaling van de griffierechten kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeken.

5. Op 3 september 2023 waren de griffierechten nog niet betaald. Het College stelt dan ook vast dat de griffierechten niet (tijdig) zijn voldaan. Er is geen aanwijzing dat verzoeker niet in verzuim is geweest. Conclusie en proceskosten 6. De verzoeken zijn (kennelijk) niet-ontvankelijk.

7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023. w.g. D. Brugman w.g. D.A. Bohlmeijer Afschrift verzonden aan partijen op: