Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2023:454 ECLI:NL:CBB:2023:454 AI generated

ECLI:NL:CBB:2023:454 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2023:454
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1147 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2023 op het verzoek van [naam] , te [plaats] , (gemachtigde: mr. M.G.P. Glas), om herziening van de uitspraak van het College van 1 september 2016 met zaaknummer 14/240. Procesverloop Bij uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) heeft het College het door [naam] ingestelde beroep tegen de beslissingen over de toepassing van spoedbestuursdwang en kosten ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het College het beroep van [naam] dat is gericht tegen de kostenbesluiten van 19 november 2014 (kostenbesluit I) en 11 juni 2015 (kostenbesluit II) niet-ontvankelijk verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2023:454 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: De minister is van oordeel dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 3.1 Zoals het College ook in zijn uitspraak van 6 november 2018 heeft overwogen, hanteert hij gelijk als in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:308) bij een herzieningsverzoek het “onredelijk laat-criterium”. [naam] voert in zijn tweede herzieningsverzoek geen feiten en omstandigheden aan als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2016:261
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/240 11200 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2016 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats 1] , appellant (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CBB:2018:583
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1479 50000 uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 november 2018 op het verzoek van [naam] , te [plaats] , verzoeker, om herziening van de uitspraak van het College van 1 september 2016, zaaknummer 14/240. Procesverloop Bij bovengenoemde uitspraak van 1 september 2016 heeft het College beslist op het beroep van verzoeker tegen de beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Economische Zaken van 18 maart 2014, kenmerk 492-5836 mev.
ECLI:NL:CBB:2019:214
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1479 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2019 op het verzet van [naam] , te [plaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2015:308
201406317/2/A4. Datum uitspraak: 28 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 in samenhang met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) op het verzoek van [verzoekster], wonend te [woonplaats], gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, verzoekster, om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201207833/1/A2. Procesverloop Bij uitspraak van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201207833/1/A2 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 juli 2012 in zaak nr. 12/182 ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/1147 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2023 op het verzoek van [naam] , te [plaats] , (gemachtigde: mr. M.G.P. Glas), om herziening van de uitspraak van het College van 1 september 2016 met zaaknummer 14/240. Procesverloop Bij uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) heeft het College het door [naam] ingestelde beroep tegen de beslissingen over de toepassing van spoedbestuursdwang en kosten ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het College het beroep van [naam] dat is gericht tegen de kostenbesluiten van 19 november 2014 (kostenbesluit I) en 11 juni 2015 (kostenbesluit II) niet-ontvankelijk verklaard.

Op 14 augustus 2018 heeft [naam] het College verzocht deze uitspraak te herzien. Bij uitspraak van 6 november 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:583) heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard, omdat [naam] het verzoek om herziening meer dan een jaar na de uitspraak van 1 september 2016, en daarmee onredelijk laat, heeft gedaan. Het College heeft het verzet tegen die uitspraak op 21 mei 2019 ongegrond verklaard (ECLI:NL:CBB:2019:214). Op 29 september 2021 heeft [naam] opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van 1 september 2016 (het tweede herzieningsverzoek).

Op 25 februari 2022 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een reactie op het tweede herzieningsverzoek gegeven. [naam] heeft op 28 juli 2023 nog aanvullende stukken ingediend. Het tweede herzieningsverzoek is behandeld op de zitting van 9 augustus 2023. Aan die zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van [naam] , mr. M.G.P. Glas, en de gemachtigde van de minister, mr. P. Kooijman. Overwegingen 1. [naam] voert, kortgezegd, aan dat hij, in weerwil van rechtsoverweging 4.7 van de uitspraak van 1 september 2016, niet als houder van de honden is aan te merken en dientengevolge niet aansprakelijk is voor de kosten van de opvang van de honden.

Anders dan het College heeft geoordeeld had hij de zorg voor de honden van zijn moeder niet op zich genomen. Hij kon die zorg bovendien niet op zich nemen, omdat hij destijds tijdens een skivakantie was gevallen. Hij was daarbij geblesseerd geraakt, waardoor hij niet eens zijn eigen honden kon verzorgen. Ter onderbouwing van zijn herzieningsverzoek heeft [naam] vier getuigenverklaringen overgelegd.

2. De minister is van oordeel dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 3.1 Zoals het College ook in zijn uitspraak van 6 november 2018 heeft overwogen, hanteert hij gelijk als in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:308) bij een herzieningsverzoek het “onredelijk laat-criterium”. [naam] voert in zijn tweede herzieningsverzoek geen feiten en omstandigheden aan als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Hij is het eenvoudigweg niet eens met de uitspraak van 1 september 2016 en gebruikt zijn herhaalde verzoek om herziening om de zaak, op het punt van het houderschap, als het ware over te doen om kostenverhaal door de minister te voorkomen. 3.2 De termijn voor het indienen van een herzieningsverzoek is voor een geval als dit een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak van 1 september 2016. [naam] doet zijn tweede herzieningsverzoek bijna vijf jaar na die uitspraak en dat maakt dat hij dit verzoek onredelijk laat heeft ingediend. Conclusie 4.1 Ook dit herzieningsverzoek zal het College daarom niet-ontvankelijk verklaren. 4.2 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing Het College verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2023. w.g. R.C. Stam w.g. I.S. Post