Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2023:419 ECLI:NL:CBB:2023:419 AI generated

ECLI:NL:CBB:2023:419 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2023:419
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1869 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2023 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. M.G. Ligthart Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2] , en de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. A.M.D. Dijkstra-Burlage en mr. P. van Veen. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het vierde kwartaal van 2020 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2023:419 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: R.W.L. Koopmans Griffier: mr. M.G. Ligthart Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2] , en de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. A.M.D. Dijkstra-Burlage en mr. P. van Veen. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het vierde kwartaal van 2020 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1869 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2023 Rechter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. M.G. Ligthart Partijen [naam 1] B.V., te [plaats] , (de onderneming), waarvoor aanwezig is [naam 2] , en de minister van Economische Zaken en Klimaat, vertegenwoordigd door mr. A.M.D. Dijkstra-Burlage en mr. P. van Veen. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat de onderneming voor het vierde kwartaal van 2020 (subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.

2. De regelgever heeft ervoor gekozen de omzet voor de TVL-regeling te bepalen aan de hand van de aangifte omzetbelasting. Het College heeft eerder al geoordeeld dat dit geen onredelijk uitgangspunt is en dat de regeling geen ruimte biedt hiervan af te wijken. Het is dus niet mogelijk de omzet van de onderneming voor nog te verrichten werk, die in de subsidieperiode is gefactureerd en opgegeven in de aangifte omzetbelasting, niet mee te nemen bij de omzet voor de subsidieperiode. Dat die omzet anders is verwerkt in de jaarrekening doet hier niet aan af, omdat de aangifte omzetbelasting bepalend is en niet de jaarrekening. De zeer beperkte omzet die is gegenereerd in het buitenland heeft geen relevante invloed op het percentage omzetverlies. De onderneming komt daarmee niet boven de 30% omzetverlies.

3. De minister heeft de TVL-subsidie daarom terecht op € 0,- vastgesteld. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.G. Ligthart