ECLI:NL:CBB:2023:245 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedproces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1481 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2023 in de zaak tussen Fa. [naam] ( [naam] ), te [plaats] , (gemachtigde: S. Stehouwer), en de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. M. van den Brink). Procesverloop Met het besluit van 2 augustus 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor de periode oktober, november en december (Q4) 2020 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 5.276,91.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:CBB:2023:245 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Uit artikel 2.1.2, vijfde lid, van de TVL volgt dat de minister voor de bepaling van de omzet van ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, uit moet gaan van de omzetgegevens uit deze aangifte. Deze bepaling is op [naam] van toepassing. Ter zitting heeft [naam] bevestigd geen suppletieaangifte te hebben gedaan. Hieruit volgt dat de minister voor de omzet in de referentieperiode terecht is uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting voor Q4 van 2019.
Full text
proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1481 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2023 in de zaak tussen Fa. [naam] ( [naam] ), te [plaats] , (gemachtigde: S. Stehouwer), en de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) (gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. M. van den Brink). Procesverloop Met het besluit van 2 augustus 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor de periode oktober, november en december (Q4) 2020 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 5.276,91.
Met het besluit van 14 juni 2022 (het bestreden besluit), waartegen [naam] beroep heeft ingesteld, heeft de minister het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. In geschil is of de minister voor de bepaling van de omzet in de referentieperiode van Q4 van 2019 terecht is uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting voor die periode. 2. [naam] voert aan dat de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting van Q4 van 2019 onjuist zijn, omdat een deel van de omzet van Q4 van 2019 door een administratieve fout is aangegeven bij het derde kwartaal van 2019.
3. Uit artikel 2.1.2, vijfde lid, van de TVL volgt dat de minister voor de bepaling van de omzet van ondernemingen die aangifte omzetbelasting doen, uit moet gaan van de omzetgegevens uit deze aangifte. Deze bepaling is op [naam] van toepassing. Ter zitting heeft [naam] bevestigd geen suppletieaangifte te hebben gedaan. Hieruit volgt dat de minister voor de omzet in de referentieperiode terecht is uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting voor Q4 van 2019.
4. Het beroep is ongegrond en de minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2023. De rechter is verhinderd te ondertekenen w.g. L. ten Hove