Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2023:114 ECLI:NL:CBB:2023:114 AI generated

ECLI:NL:CBB:2023:114 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2023:114
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1674 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 op het verzet van [de ondereming] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: mr. R.P. Kuijper) Procesverloop De onderneming heeft bij de rechtbank Midden-Nederland beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 februari 2022. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan het College. Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, niet-ontvankelijk verklaard. De onderneming heeft tegen de uitspraak van het College van 13 december 2022 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat binnen de daarvoor gestelde termijn het griffierecht niet is betaald.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2023:114 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In verzet is gebleken dat de onderneming niet in verzuim is geweest. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, niet-ontvankelijk verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 22/1674 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2023 op het verzet van [de ondereming] B.V., te [plaats] (de onderneming) (gemachtigde: mr. R.P. Kuijper) Procesverloop De onderneming heeft bij de rechtbank Midden-Nederland beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 februari 2022. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden aan het College. Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft het College het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, niet-ontvankelijk verklaard. De onderneming heeft tegen de uitspraak van het College van 13 december 2022 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat binnen de daarvoor gestelde termijn het griffierecht niet is betaald.

2. In verzet is gebleken dat de onderneming niet in verzuim is geweest. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.

3. Omdat het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak van 13 december 2022 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

4. De minister moet de proceskosten van het verzet van de onderneming vergoeden (0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift, waarde per punt € 837,-, wegingsfactor 1). Het College bepaalt dit, omdat de verwarring rond de betaling van het griffierecht is ontstaan doordat de minister onder het besluit van 28 februari 2022 ten onrechte heeft vermeld dat daartegen beroep kon worden ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland. Beslissing Het College: verklaart het verzet gegrond; veroordeelt de minister in de proceskosten van het verzet van de onderneming tot een bedrag van € 418,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van mr. S. van Noordt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2023. w.g. T.G.M. Simons w.g. S. van Noordt