ECLI:NL:CBB:2022:551 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/313 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2022 op het verzet van [naam] , te [plaats] , appellant Procesverloop Appellant heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dus zonder zitting, van 21 december 2021. Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2022. Appellant was daar aanwezig. Overwegingen 1. In de uitspraak van 21 december 2021 heeft het College geoordeeld dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) in het besluit van 4 februari 2021 terecht het bezwaar van appellant tegen de brief van de minister van 8 februari 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat die brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb bevat.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:3 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2022:551 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Appellant heeft de juistheid van het besluit van 4 februari 2021 niet echt betwist. Op de zitting heeft appellant uiteengezet dat het hem erom te doen is erkend te krijgen dat hem (in 2010) onrecht is gedaan en daarvoor (financieel) gecompenseerd te worden. De minister, en ook andere instanties, reageren steeds niet op zijn brieven en andere berichten hierover. Dat moet veranderen, vindt appellant. Het College heeft appellant op de zitting uitgelegd dat het niets voor hem kan doen. Als appellant een brief aan de minister stuurt en de minister reageert daar niet of niet naar de wens van appellant op, kan appellant de (klacht)mogelijkheden van de Wet Nationale ombudsman benutten.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/313 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2022 op het verzet van [naam] , te [plaats] , appellant Procesverloop Appellant heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dus zonder zitting, van 21 december 2021. Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2022. Appellant was daar aanwezig. Overwegingen 1. In de uitspraak van 21 december 2021 heeft het College geoordeeld dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) in het besluit van 4 februari 2021 terecht het bezwaar van appellant tegen de brief van de minister van 8 februari 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat die brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb bevat.
2. Appellant heeft de juistheid van het besluit van 4 februari 2021 niet echt betwist. Op de zitting heeft appellant uiteengezet dat het hem erom te doen is erkend te krijgen dat hem (in 2010) onrecht is gedaan en daarvoor (financieel) gecompenseerd te worden. De minister, en ook andere instanties, reageren steeds niet op zijn brieven en andere berichten hierover. Dat moet veranderen, vindt appellant. Het College heeft appellant op de zitting uitgelegd dat het niets voor hem kan doen. Als appellant een brief aan de minister stuurt en de minister reageert daar niet of niet naar de wens van appellant op, kan appellant de (klacht)mogelijkheden van de Wet Nationale ombudsman benutten.
3. Het verzet moet ongegrond worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van H.L.A. Kleinjans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2022. w.g. T.G.M. Simons w.g. H.L.A. Kleinjans