Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2022:450 ECLI:NL:CBB:2022:450 AI generated

ECLI:NL:CBB:2022:450 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2022:450
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 21/673 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] , appellant, en de minister van Economische Zaken en Klimaat thans de minister voor Klimaat en Energie, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Essen). Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling) voor de categorie Warmtepomp afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2022:450 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Bij het primaire besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, is de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4.5.12, eerste lid, onderdeel f, van de Regeling afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen zes maanden na het installeren van de warmtepomp is ingediend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2019:143
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1475 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2019 in de zaak tussen [naam] te [plaats] , appellant en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. J. van Essen en mr. M. Wullink). Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2018 (primair besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant in het kader van Titel 4.5 Investeringssubsidie duurzame energie van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling). Bij besluit van 20 juli 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het door appellant tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.
ECLI:NL:CBB:2019:560
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/407 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen [naam 1] , te Zoetermeer, appellant (gemachtigde: [naam 2] ), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigde: mr. C. Cromheecke). Procesverloop Bij besluit van 12 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft de minister van Economische Zaken de subsidieaanvraag van appellant in het kader van de Regeling nationale EZ-subsidies, titel 4.5. investeringssubsidie duurzame energie (verder te noemen: de Regeling) voor een warmtepomp afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2022:363
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/464 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2022 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 21/673 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] , appellant, en de minister van Economische Zaken en Klimaat thans de minister voor Klimaat en Energie, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Essen). Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) in het kader van titel 4.5 van de Regeling nationale EZ-subsidies (Regeling) voor de categorie Warmtepomp afgewezen.

Bij besluit van 4 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2022. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Op 13 december 2020 heeft appellant een subsidieaanvraag ingediend voor een warmtepomp. Op het aanvraagformulier heeft hij als aankoopdatum 10 oktober 2019 en als installatiedatum 25 november 2019 ingevuld.

Onder het kopje “Verklaring en ondertekening” is in het formulier onder meer opgenomen dat de indiener verklaart dat de subsidie binnen zes maanden na installatie is aangevraagd.

2. Bij het primaire besluit, dat is gehandhaafd bij het bestreden besluit, is de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4.5.12, eerste lid, onderdeel f, van de Regeling afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen zes maanden na het installeren van de warmtepomp is ingediend.

3. Appellant voert, samengevat, aan dat verweerder ten onrechte zijn subsidieaanvraag heeft afgewezen. Appellant erkent weliswaar dat de warmtepomp op 25 november 2019 is geplaatst, maar hij is veel later in gebruik genomen. Eigenlijk zou daar van uitgegaan moeten worden. Zo niet, dan mag het te laat indienen hem niet worden tegengeworpen omdat hij door een corona-besmetting niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen en hij met de installatie van de warmtepomp bijdraagt aan het realiseren van het doel van de ISDE. De ISDE wordt immers verleend om er zorg voor te dragen dat de wereld en Nederland in het bijzonder wordt vergroend door middel van duurzame energie. Daarnaast stelt appellant dat zijn investeringen in de warmtepomp een aanspraak op de ISDE rechtvaardigen, omdat warmtepompen op dit moment duurder zijn dan in de toekomst. Als voorloper betaal je meer, omdat eerst de ontwikkeling terugbetaald moet worden.

4. Verweerder handhaaft in verweer zijn standpunt uit het bestreden besluit dat de aanvraag van appellant terecht is afgewezen. Als moment van installatie moet het moment van plaatsing van de warmtepomp worden aangemerkt. Daar van uitgaande is de aanvraag te laat. Verweerder wijst er verder nog op dat aan de Regeling voorwaarden zijn verbonden waaraan alle aanvragen moeten voldoen en waar verweerder bij de uitvoering aan gebonden is. De regeling biedt verweerder geen ruimte om van de onderhavige voorwaarden af te wijken. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraken van het College van 9 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:143) en 5 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:560).

5. Het College overweegt als volgt. 5.1 Op grond van artikel 4.5.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling beslist de minister afwijzend op een aanvraag indien: (...) in geval van een aanvraag van een natuurlijke persoon ten behoeve van een installatie voor de productie van duurzame energie bestemd voor de eigen woning, de aanvraag later dan zes maanden na het installeren ervan is ingediend. 5.2 Vast staat dat appellant de warmtepomp op 25 november 2019 in zijn woning heeft geplaatst en dat hij de aanvraag om subsidie voor deze warmtepomp op 13 december 2020 heeft ingediend.

De datum van plaatsing moet worden aangemerkt als moment van installatie. Daarmee is de aanvraag gedaan na de uiterste indieningsdatum, als bedoeld in artikel 4.5.12, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling. 5.3 Het College volgt verweerder in zijn standpunt dat met voormelde bepaling dwingend is voorgeschreven dat een te laat ingediende aanvraag om subsidie moet worden afgewezen. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:363) bevat de Regeling geen hardheidsclausule en biedt verweerder derhalve geen ruimte voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, of de door appellant gewenste coulance.

Verweerder was daarom gehouden de aanvraag van appellant af te wijzen. Het College heeft er begrip voor dat appellant vanwege de persoonlijke omstandigheden ervoor heeft gekozen om de aanvraag een lagere prioriteit te geven. Echter, niet is gebleken dat appellant al dan niet met hulp van het inschakelen van een derde buiten staat is geweest de aanvraag binnen zes maanden na het installeren van de warmtepomp in te dienen.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2022. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. N.C.H. Vrijsen