Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:841 ECLI:NL:CBB:2021:841 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:841 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:841
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/1396 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 op het verzoek van [naam 1] , te [plaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen), om herziening van de uitspraak van het College van 11 september 2018, zaaknummers 16/1280, 17/128 en 17/463, in het geschil tussen verzoeker en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. M. Wullink). Procesverloop Bij uitspraak van 11 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:476) heeft het College beslist op het beroep van verzoeker tegen de beslissingen op bezwaar van de minister van 28 november 2016, 3 januari 2017 en 14 maart 2017, alsmede de herziene beslissingen op bezwaar van 30 november 2017 en 26 maart 2018.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:841 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Het College overweegt het volgende. 5.1 Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren enredelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 5.2 Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2018:476
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 16/1280, 17/128 en 17/463 5111 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2018 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. A.F. Bosma en M.G. Dusseljee). Procesverloop 16/1280 Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om toekenning van betalingsrechten 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (hierna:
ECLI:NL:CBB:2017:212
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/1014 5111 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2017 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125
08/4752, 4756 t/m 4759 BESLU 09/1277, 1278, 1280 en 1282 BESLU Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het verzoek om schadevergoeding van: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) met als partijen: betrokkene en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2005, 04/2677 en 05/148, van 1 februari 2005, 05/129 en 05/149, en van 8 november 2006, 06/1169, in de gedingen tussen betrokkene en het Uwv.
ECLI:NL:HR:2014:540
21 maart 2014 nr. 12/04057 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s‑Gravenhage van 18 juli 2012, nr. BK-09/00382 tot en met BK-09/00399, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1992, 1993 en 1995 tot en met 2002 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2016:252
19 februari 2016 nr. 14/03907 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenaam van [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 juli 2014, nr. BK-13/00675, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 10/2071‑isv) betreffende het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/1396 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 op het verzoek van [naam 1] , te [plaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen), om herziening van de uitspraak van het College van 11 september 2018, zaaknummers 16/1280, 17/128 en 17/463, in het geschil tussen verzoeker en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. M. Wullink). Procesverloop Bij uitspraak van 11 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:476) heeft het College beslist op het beroep van verzoeker tegen de beslissingen op bezwaar van de minister van 28 november 2016, 3 januari 2017 en 14 maart 2017, alsmede de herziene beslissingen op bezwaar van 30 november 2017 en 26 maart 2018.

Verzoeker heeft het College verzocht de uitspraak te herzien. De minister heeft een reactie op het verzoek ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Vervolgens is het College tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en is partijen bij brief van 3 december 2020 meegedeeld dat het onderzoek is heropend. Bij die brief zijn tevens enkele vragen gesteld. Verzoeker en verweerder hebben bij brieven van respectievelijk 8 januari 2021 en 29 januari 2021 antwoord gegeven op de vragen.

Bij brief van 24 juni 2021 heeft verzoeker nadere stukken ingediend. Vervolgens heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 6 juli 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 2] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verzoeker heeft in de door hem ingediende Gecombineerde Opgave opgegeven over 205,46 ha ‘GLB oppervlakte’ te beschikken. Daarvan heeft verzoeker 87,21 ha opgegeven voor het toewijzen en het uitbetalen van betalingsrechten. Bij besluit van 21 april 2016 heeft de minister 54,48 betalingsrechten aan verzoeker toegewezen.

Vervolgens heeft de minister bij besluit van 21 juli 2016 54,48 ha voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor 2015 in aanmerking genomen. Naar aanleiding van de uitspraak van het College van 11 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:212) is de minister overgegaan tot een herbeoordeling van een aantal percelen dat eerder niet was aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. De minister heeft vervolgens bij besluiten van 30 november 2017 en 26 maart 2018 de besluiten van respectievelijk 21 april 2016 en 21 juli 2016 herroepen. Daarbij heeft de minister 76,43 betalingsrechten toegewezen en 76,43 ha voor de uitbetaling voor het jaar 2015 in aanmerking genomen.

2. Bij de uitspraak waarvan verzoeker thans om herziening verzoekt, is het beroep tegen de besluiten van 30 november 2017 en 26 maart 2018 ongegrond verklaard. Het College heeft in die uitspraak onder meer overwogen dat verzoeker niet had gemotiveerd op grond waarvan de door hem opgegeven percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 als subsidiabele landbouwgrond moesten worden aangemerkt. Ook heeft het College in die uitspraak overwogen dat verzoeker ten aanzien van de door hem opgegeven percelen 1, 18, 33, 64, 66, 86, 88, 90, 92, 94, 96 en 100, die door de minister gedeeltelijk subsidiabel waren geacht, evenmin had onderbouwd op grond waarvan deze onjuist waren beoordeeld.

3. Aan het verzoek om herziening heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat dat hij thans over een rapport beschikt dat op 30 oktober 2018 is opgesteld door inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (rapport) naar aanleiding van bedrijfsinspecties op 4, 24, 25 en 26 oktober 2018. Het geschil tussen de minister en verzoeker spitst zich toe op de percelen die in de Gecombineerde Opgave 2015 zijn genummerd als: 3, 34, 41, 43, 44, en 45. Deze zijn in het rapport genummerd: 42, 39, 32, 38, 41 en 37. Verzoeker wijst erop dat deze percelen blijkens het rapport als subsidiabele landbouwgrond dienen te worden aangemerkt.

Met dit rapport wordt volgens verzoeker dan ook alsnog het bewijs geleverd waarover hij ten tijde van de procedure bij het College, die leidde tot de uitspraak van 11 september 2018, nog niet beschikte. Bij brief van 24 juni 2021 heeft verzoeker ter aanvulling van zijn betoog nog gewezen op nader beschikbaar gekomen informatie in het kader van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Daaruit blijkt dat op basis van de nieuwe topografische begrenzing van de percelen de oppervlakte van de percelen minimaal 234,12 ha is.

4. De minister betwist dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die tot herziening van de uitspraak van het College van 11 september 2018 kunnen leiden. Hij wijst erop dat zowel in de herziene besluiten van 30 november 2017 en 26 maart 2018 als in de uitspraak waarvan verzoeker thans herziening verzoekt reeds rekening is gehouden met de uitspraak van het College van 11 juli 2017 over de zogenoemde N-percelen. Ter zitting van 6 juli 2021 heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden omdat de percelen waarvan verzoeker thans stelt dat deze als subsidiabele landbouwgrond dienen te worden aangemerkt, door verzoeker destijds in de Gecombineerde Opgave 2015 met gewascode 332 zijn opgegeven, wat staat voor “Grasland, natuurlijk.

Hoofdfunctie natuur”. Daarmee heeft verzoeker zelf aangegeven dat die percelen niet subsidiabel zijn. De informatie uit het rapport brengt derhalve, aldus verweerder, geen wijziging in het feit dat verzoeker voor de percelen 3, 34, 41, 43, 44 en 45 geen uitbetaling heeft aangevraagd.

5. Het College overweegt het volgende. 5.1 Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren enredelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 5.2 Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoeker om herziening in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd, redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen. Het rechtsmiddel herziening dient er niet toe om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter onderbouwing van een standpunt, die in een eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en aldus het debat te heropenen. 5.3 Het College is, onder verwijzing naar hetgeen in r.o. 7.3.2 tot en met 7.3.5 is overwogen in de uitspraak van heden met zaaknummer 19/948, van oordeel dat geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, omdat niets wat verzoeker heeft aangevoerd tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. slotsom 6.

Het College zal het verzoek om herziening afwijzen. redelijke termijn 7. Verzoeker heeft ter zitting een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daargelaten of hier een overschrijding van die termijn heeft plaatsgevonden, zal het College dat verzoek afwijzen, reeds omdat zowel deze procedure als de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van heden met zaaknummer 19/948, betrekking heeft op het verkrijgen van meer betalingsrechten en uitbetaling van die rechten in het aanvraagjaar 2015 en in zoverre dus in hoofdzaak zien op hetzelfde onderwerp en het College in die uitspraak de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) al heeft veroordeeld om aan verzoeker een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,- te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn door het College (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125, en de arresten van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540, r.o. 2.5.2, en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2).

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College: wijst het verzoek om herziening af; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. B. Bastein en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021. De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.