Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:772 ECLI:NL:CBB:2021:772 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:772 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:772
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/889 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaak tussen [naam BV] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: drs. D.S. den Hartog), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke). Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een door appellante ingediende Melding niet-aansluitende SBI-code geweigerd appellante een tegemoetkoming van € 4.000,- te verstrekken op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:772 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Dat appellante haar registratie na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, maakt dat niet anders. Tot slot is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder zou moeten afwijken van de Beleidsregel. Standpunt appellante 4. Appellante exploiteert sinds 2001 een raamprostitutiebedrijf. Bij de inschrijving van de onderneming in het Handelsregister in 2001 zijn de verkeerde SBI-codes geregistreerd. Appellante erkent dat zij de code waarmee zij ingeschreven stond op ieder moment had kunnen wijzigen, maar benadrukt dat aan de SBI-codes nimmer aandacht is besteed, omdat deze voor de feitelijke uitoefening van het bedrijf niet relevant waren.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2020:992
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/790 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] , appellante en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels, mr. R.A. van der Voort en mr. R.E. Groenewold). Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2020:993
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/624 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] , appellante en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels, mr. R.A. van der Voort en mr. R.E. Groenewold) Procesverloop Bij besluit van 19 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een tegemoetkoming van € 4.000,- op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 afgewezen.
ECLI:NL:CBB:2020:994
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/625 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen [naam 1] B.V., te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CBB:2020:995
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 20/821 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de zaak tussen [naam 1] , h.o.d.n.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/889 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaak tussen [naam BV] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: drs. D.S. den Hartog), en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. C. Cromheecke). Procesverloop Bij besluit van 10 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een door appellante ingediende Melding niet-aansluitende SBI-code geweigerd appellante een tegemoetkoming van € 4.000,- te verstrekken op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (Beleidsregel).

Bij besluit van 3 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2021. Namens appellante is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Aanleiding van deze procedure Appellante heeft een Melding niet aansluitende SBI-code ingediend. Over de onderneming van appellante waren op 15 maart 2020 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) de SBI-codes [nummer 1] (Bemiddeling bij handel, huur, of verhuur van onroerend goed) en 68.32 (Beheer van onroerend goed) opgenomen en als bedrijfsomschrijving ‘Beheer en exploitatie van onroerende zaken en andere registergoederen’.

3. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De SBI-codes waaronder appellante op 15 maart 2020 in het handelsregister van de KvK stond ingeschreven, zijn niet opgenomen in Bijlage 1 van de Beleidsregel. Ook biedt de bedrijfsomschrijving volgens verweerder geen aanknopingspunten voor de toepassing van een andere SBI-code, die wel in Bijlage 1 staat. Verweerder heeft overwogen dat de SBI-code [nummer 2] (Overige dienstverlening (rest)), die wel in Bijlage 1 staat, niet aansluit bij de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van appellante zoals opgenomen in het handelsregister.

Dat appellante haar registratie na 15 maart 2020 met terugwerkende kracht heeft gewijzigd, maakt dat niet anders. Tot slot is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder zou moeten afwijken van de Beleidsregel. Standpunt appellante 4. Appellante exploiteert sinds 2001 een raamprostitutiebedrijf. Bij de inschrijving van de onderneming in het Handelsregister in 2001 zijn de verkeerde SBI-codes geregistreerd. Appellante erkent dat zij de code waarmee zij ingeschreven stond op ieder moment had kunnen wijzigen, maar benadrukt dat aan de SBI-codes nimmer aandacht is besteed, omdat deze voor de feitelijke uitoefening van het bedrijf niet relevant waren.

Appellante moest vanwege de coronamaatregelen haar onderneming noodgedwongen sluiten en heeft hierdoor omzetverlies geleden. Appellante voert aan dat verweerder in strijd met de redelijkheid en billijkheid geen rekening heeft gehouden met haar feitelijke werkzaamheden en de bijzondere omstandigheden. Daarbij beroept appellante zich op een brief van 22 juni 2020 van [naam 2] , Directeur Ondernemerschap van het directoraat-generaal Bedrijfsleven & Innovatie, waaruit volgens appellante volgt dat getoetst moet worden aan de feitelijke activiteiten van een onderneming.

Standpunt verweerder 5. Verweerder voert ten eerste aan dat een ondernemer zelf verantwoordelijk is voor de juistheid van de inschrijving in het Handelsregister. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat uit het citaat dat appellante aanhaalt, geenszins kan worden afgeleid dat er wordt getoetst op basis van de feitelijke bedrijfsactiviteiten van een onderneming. Een dergelijke toetsing is volgens verweerder in strijd met de strekking van de regeling. Tot slot benadrukt verweerder dat gekozen is voor de gehanteerde werkwijze, omdat deze een snelle afhandeling van het enorme aantal aanvragen voor de tegemoetkoming mogelijk heeft gemaakt.

Beoordeling door het College 6. Het College heeft verschillende uitspraken gedaan over de Beleidsregel. Het College verwijst naar de uitspraken van 22 december 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:992, ECLI:NL:CBB:2020:993, ECLI:NL:CBB:2020:994 en ECLI:NL:CBB:2020:995). Daarin is onder meer geoordeeld dat de Beleidsregel moet worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit houdt in dat de rechter alleen kan toetsen of het beleid op consistente wijze is toegepast.

7. Net als in genoemde uitspraken heeft verweerder zijn beleid in dit geval op consistente wijze toegepast. Niet de feitelijke activiteiten, maar wat op de peildatum is geregistreerd in het handelsregister is leidend. Verweerder hoeft geen rekening te houden met wijzigingen die in het handelsregister zijn doorgevoerd na de peildatum, ook niet als het gaat om wijzigingen met terugwerkende kracht. In het geval van appellante heeft verweerder dan ook terecht op grond van de SBI-codes geen tegemoetkoming toegekend, omdat de SBI-codes waaronder appellante op 15 maart 2020 was geregistreerd, niet zijn vermeld in Bijlage 1.

8. Bij toepassing van de Beleidsregel toetst verweerder ook of de bedrijfsomschrijving, zoals die op de peildatum was geregistreerd, aanknopingspunten biedt voor een daarbij passende SBI-code die wel op de lijst in die Bijlage is vermeld. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat daar in dit geval geen sprake van is. Uit de bedrijfsomschrijving blijkt op geen enkele wijze dat appellante een raamprostitutiebedrijf exploiteert, zodat ook de bedrijfsomschrijving voor verweerder geen aanleiding had moeten zijn om uit te gaan van de SBI-code [nummer 2] . Ook in zoverre heeft verweerder zijn beleid consistent toegepast.

9. Het beroep dat appellante doet op de brief van 22 juni 2021 slaagt niet, reeds omdat waar de brief stelt dat verzoeken op redelijkheid en billijkheid en aan de hand van de economische activiteit waarmee de onderneming in het Handelsregister staat ingeschreven worden getoetst, hier niet uit kan worden afgeleid dat getoetst zal worden aan de feitelijke activiteiten van een onderneming.

10. Het College volgt verweerder in het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de Beleidsregel rechtvaardigen. De omstandigheden van appellante verschillen niet van andere ondernemingen die op de peildatum met een andere SBI-code stonden ingeschreven dan hun feitelijke activiteiten.Conclusie 11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van C.S. Carella, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. C.S. Carella