Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:685 ECLI:NL:CBB:2021:685 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:685 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:685
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/58 uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen [naam BV] , te [plaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder. Procesverloop Op 28 december 2020 heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 november 2020 tot ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2020. Overwegingen 1. Het College doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:41 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2021:685 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Procesverloop Op 28 december 2020 heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 november 2020 tot ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2020. Overwegingen 1. Het College doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:41 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Het College doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.
artikel 8:41 van de Awb
Op grond van artikel 8:41 van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/58 uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen [naam BV] , te [plaats] , appellante, en de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder. Procesverloop Op 28 december 2020 heeft appellante beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 24 november 2020 tot ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 21 augustus 2020. Overwegingen 1. Het College doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.

2. Op grond van artikel 8:41 van de Awb wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. Het verschuldigde griffierecht moet op de bankrekening van het College zijn bijgeschreven of contant ter griffie zijn gestort binnen vier weken nadat de griffier de indiener heeft meegedeeld welk griffierecht verschuldigd is. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk is als het griffierecht niet tijdig is betaald. Van niet-ontvankelijkverklaring zal worden afgezien als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3. Aan appellante is kort na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post een nota verzonden ter voldoening van het griffierecht. Aangezien betaling uitbleef is op 19 februari 2021 per aangetekende post een herinneringsbrief aan appellante gezonden met de mededeling dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van die brief moet zijn betaald. Deze aangetekend verzonden brief is op 10 maart 2021 op de griffie van het College als zijnde onbestelbaar retour ontvangen. De herinneringsbrief is daarop op 2 april 2021 nogmaals per gewone post aan appellante toegezonden met het verzoek het griffierecht alsnog te voldoen. Op deze herinneringsbrief is niet gereageerd.

4. Het College stelt vast dat het griffierecht niet op tijd is betaald. Er is geen aanwijzing dat appellante niet in verzuim is geweest.

5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van T.S. García Bijvoet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2021. w.g. D. Brugman w.g. T.S. García Bijvoet Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.