Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:650 ECLI:NL:CBB:2021:650 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:650 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:650
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 20/726 en 20/731 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 op het verzet van [naam] , te [plaats] , verzoeker Procesverloop Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraken van het College van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:346 en ECLI:NL:CBB:2019:347). Bij uitspraak van 30 maart 2021 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze onredelijk laat zijn ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2021:650 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 is neergelegd dat de termijn van één jaar aanvangt op het moment waarop de verzoeker bekend is geworden met de in het verzoek om herziening gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, op de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. In de hier voorliggende gevallen heeft verzoeker (wel) nova gesteld. De termijn is daarom op 2 juli 2019 aangevangen. In het geval dat aan de orde was in de uitspraak van het College van 21 mei 2019 waren geen nova gesteld. 2.1 In verzet heeft verzoeker in de tweede plaats betoogd dat het in de hier voorliggende gevallen gaat om verzoeken om herziening van uitspraken over punitieve sancties.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Bij uitspraak van 30 maart 2021 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze onredelijk laat zijn ingediend.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2019:346
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/66 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CBB:2019:347
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/113 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2015:308
201406317/2/A4. Datum uitspraak: 28 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 in samenhang met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) op het verzoek van [verzoekster], wonend te [woonplaats], gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, verzoekster, om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201207833/1/A2. Procesverloop Bij uitspraak van 21 augustus 2013 in zaak nr. 201207833/1/A2 heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoekster] tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 juli 2012 in zaak nr. 12/182 ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CBB:2019:214
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1479 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2019 op het verzet van [naam] , te [plaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:CBB:2017:90
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 15/646 en 16/235 5101 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2017 in de zaken tussen maatschap [naam 1] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: J.A. Rietveld), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen). Procesverloop 15/646 Bij besluit van 26 februari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) opnieuw vastgesteld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 20/726 en 20/731 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 op het verzet van [naam] , te [plaats] , verzoeker Procesverloop Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraken van het College van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:346 en ECLI:NL:CBB:2019:347). Bij uitspraak van 30 maart 2021 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze onredelijk laat zijn ingediend.

Verzoeker heeft tegen de uitspraak van 30 maart 2021 verzet gedaan. Overwegingen 1.1 In de uitspraak van 30 maart 2021 heeft het College, met verwijzing naar de uitspraak van (de grote kamer van) de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:308), vastgesteld dat de verzoeken (van 12 en 13 augustus 2020) zijn ingediend meer dan één jaar nadat verzoeker (op 2 juli 2019) bekend was geworden met de door hem gestelde nova. Verzoeker heeft in verzet in de eerste plaats, met verwijzing naar de uitspraak van het College van 21 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:214), betoogd dat als begin van de termijn van één jaar moet worden genomen de datum waarop de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht openbaar is gemaakt. 1.2 Dit betoog slaagt niet.

In de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 is neergelegd dat de termijn van één jaar aanvangt op het moment waarop de verzoeker bekend is geworden met de in het verzoek om herziening gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, op de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. In de hier voorliggende gevallen heeft verzoeker (wel) nova gesteld. De termijn is daarom op 2 juli 2019 aangevangen. In het geval dat aan de orde was in de uitspraak van het College van 21 mei 2019 waren geen nova gesteld. 2.1 In verzet heeft verzoeker in de tweede plaats betoogd dat het in de hier voorliggende gevallen gaat om verzoeken om herziening van uitspraken over punitieve sancties.

Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 geldt dan geen termijn. 2.2 Dit betoog slaagt ook niet. In de uitspraak van het College van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:346) ging het om de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2014 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, welke toeslag volgens appellant op een te laag bedrag was vastgesteld. Hier is evident geen sprake van een sanctie en dus ook niet van een punitieve (bestraffende) sanctie. In de uitspraak van het College van 13 augustus 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:347) ging het om de oplegging aan appellant van een “administratieve sanctie” (van € 299,41) wegens een te hoge areaalaangifte.

In dat verband verwijst het College naar, bijvoorbeeld, zijn uitspraak van 16 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:90). Daarin wijst het College erop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in bestendige jurisprudentie heeft geoordeeld dat op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties niet strafrechtelijk van aard zijn.

3. De conclusie is dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021. w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer