Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:624 ECLI:NL:CBB:2021:624 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:624 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:624
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/489 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , verzoeker, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. B.M. Kleijs en mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 23 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van de Wet dieren. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2021:624 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. Verzoeker is verschenen met [naam 2] als deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Ingevolge artikel 6:7 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:81 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Overwegingen 1.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
artikel 8:81 van de Awb
Daarmee ontbreekt de in artikel 8:81 van de Awb bedoelde samenhang tussen het verzoek om voorlopige voorziening en een bezwaarprocedure en moet het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/489 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , verzoeker, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigden: mr. B.M. Kleijs en mr. M.J.H. van der Burgt). Procesverloop Bij besluit van 23 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtreding van de Wet dieren. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. Verzoeker is verschenen met [naam 2] als deskundige. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2 Ingevolge artikel 6:7 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en vangt deze aan met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het primaire besluit is op 7 juni 2021 is verstreken en verzoeker heeft, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, binnen deze termijn geen bezwaar gemaakt. Daarmee ontbreekt de in artikel 8:81 van de Awb bedoelde samenhang tussen het verzoek om voorlopige voorziening en een bezwaarprocedure en moet het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021. De voorzitter is verhinderd te ondertekenen. De griffier is verhinderd te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: