ECLI:NL:CBB:2021:525 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generateduitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/1324 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 op het verzet van [naam] B.V., te [plaats] , appellante (gemachtigde: ir. J.J.S. Reekers) Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 18 juli 2019, waarbij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is verklaard. Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep ongegrond verklaard.
Legislator headnote
AI generatedECLI:NL:CBB:2021:525 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: J.J.S. Reekers) Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 18 juli 2019, waarbij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is verklaard. Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep ongegrond verklaard.
Full text
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/1324 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2021 op het verzet van [naam] B.V., te [plaats] , appellante (gemachtigde: ir. J.J.S. Reekers) Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) van 18 juli 2019, waarbij het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk is verklaard. Bij uitspraak van 28 april 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen de uitspraak van 20 april 2020 verzet gedaan en heeft daarbij verzocht om te worden gehoord. Het verzet is behandeld ter zitting van 12 mei 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen de bezwaartermijn van zes weken is ingediend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
2. Op grond van wat in verzet ter zitting is aangevoerd over de omstandigheden in de hier van belang zijnde periode ten aanzien van de (inmiddels overleden) “leidende” bestuurder van appellante ir. P.C. Reekers en de feitelijke positie van de andere bestuurder drs. S.A.L. Reekers is het College thans van oordeel dat het beroep niet kennelijk ongegrond is. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
3. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak van 28 april 2020 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2021. w.g. T.G.M. Simons w.g. F.L. van Haeften