Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:485 ECLI:NL:CBB:2021:485 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:485 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:485
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/366 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] appellante, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. S.F. Somer). Procesverloop Bij besluit van 12 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld, die voorziet in betaling door appellante van het door haar verschuldigde bedrag van € 1.171,57 voor de kosten van toegepaste bestuursdwang in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:2 van de Awb, artikel 4:94 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2021:485 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Zij betwist de aan de last ten grondslag gelegde overtredingen, waaronder die met betrekking tot haar Friese paard. De toezichthouder en betrokken dierenarts hebben de dieren niet afzonderlijk onderzocht, maar ten onrechte volstaan met een groepsbeoordeling van de dieren. Aan appellante is geen diergeneeskundige verklaring verstrekt over de gezondheidstoestand van het Friese paard op het moment van het in bewaring nemen van het paard. Ook kan verweerder de gemaakte kosten die bij appellante in rekening zijn gebracht, niet specifiek onderbouwen en heeft verweerder de kosten over een te lange periode doorberekend. 3.2 Appellante voert voorts aan dat verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld door haar niet te horen in bezwaar.

Keywords

AI generated
artikel 7:2 van de Awb artikel 4:94 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:2 van de Awb
3.2 Appellante voert voorts aan dat verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld door haar niet te horen in bezwaar.
artikel 4:94 van de Awb

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2017:429
per direct ervoor te zorgen dat haar paarden/pony’s en katten over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer kunnen beschikken, zodat haar dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan, waarbij het voer toegankelijk moet zijn voor haar dieren, en 2) voor 1 november 2016 ervoor te zorgen dat haar katten geneeskundige zorg krijgen en het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts, uit te voeren, alsmede ervoor te zorgen dat haar katten worden behandeld tegen vlooien. 1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
ECLI:NL:CBB:2017:428
Tussenuitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1451 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2017 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellante en de staatssecretaris van Economische zaken, verweerder (gemachtigde: mr. J. Henneveld). Procesverloop Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft verweerder aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 2 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 2 maart 2017 beroep ingesteld.
ECLI:NL:CBB:2017:455
Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1451 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2017 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. J. Henneveld). Procesverloop Bij besluit van 29 juni 2017 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving bij appellante in rekening gebracht. Appellante heeft naar aanleiding van dit besluit beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CBB:2019:158
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 18/994 en 18/995 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2019 op de hoger beroepen van: [naam 1] B.V., te [plaats 1] , appellante 1 [naam 2] B.V., te [plaats 2] , appellante 2 [naam 3] B.V., te [plaats 3] , appellante 3 [naam 4] B.V., te [plaats 4] , appellante 4 [naam 5] B.V., te [plaats 5] , appellante 5 [naam 6] B.V., te [plaats 5] , appellante 6 [naam 7] B.V., te [plaats 6] , appellante 7(hierna tezamen aangeduid als appellanten) (gemachtigde: mr. J.J.M. Sluijs), tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2018, kenmerk 17/3412 en kenmerk 17/3413, in de gedingen tussen appellanten en Autoriteit Consument en Markt, ACM (gemachtigden: mr.
ECLI:NL:RVS:2012:BY5907
201201209/1/A2. Datum uitspraak: 12 december 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 januari 2012 in zaak nr. 11/769 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Belastingdienst het verzoek van [appellant] om uitstel van betaling voor de terugvordering van huurtoeslag 2006 en zorgtoeslag over 2006, 2008 en 2009, afgewezen. Voorts heeft de Belastingdienst in dit besluit een betalingsregeling toegestaan, inhoudende een afbetaling van € 249,00 per maand.
ECLI:NL:CBB:2018:343
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/869 24100 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2018 in de zaak tussen [naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] , appellante (gemachtigde: [naam 2] ) en de Kamer van Koophandel, verweerster (gemachtigde: mr. E. Goos). Procesverloop Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerster besloten tot ontbinding van appellante op gronden als vermeld in artikel 2:19a, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij besluit van 20 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/366 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] appellante, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. S.F. Somer). Procesverloop Bij besluit van 12 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld, die voorziet in betaling door appellante van het door haar verschuldigde bedrag van € 1.171,57 voor de kosten van toegepaste bestuursdwang in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen.

Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1 Bij besluit van 18 oktober 2016 is aan appellante een last onder bestuursdwang (last) opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren.

De last heeft betrekking op katten en paarden/pony’s, waaronder een Fries paard. Bij besluit van 2 maart 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de last ongegrond verklaard. 1.2 Bij uitspraak van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:429) heeft het College het beroep tegen het besluit van 2 maart 2017 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de last is opgelegd ten aanzien van de katten en paarden/pony’s van appellante en de last herroepen, behalve ten aanzien van het Friese paard. Dat betekent dat de last met betrekking tot het Friese paard terecht was opgelegd. 1.3 Bij besluit van 29 juni 2017 (kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving met betrekking tot het Friese paard voor een bedrag van € 1.171,57 bij appellante in rekening gebracht.

Bij tussenuitspraak van 3 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:428) heeft het College geoordeeld dat verweerder de last heeft mogen uitvoeren door het in bewaring nemen van het Friese paard van appellante. Bij uitspraak van 23 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:455) heeft het College het beroep van appellante tegen het kostenbesluit gegrond verklaard, het kostenbesluit vernietigd, en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante aan kosten van de toepassing van bestuursdwang een bedrag van € 1.082,27 is verschuldigd aan verweerder. Reden voor de vermindering is dat verweerder het bedrag vanwege dierenartskosten (€ 89,30) niet langer als kosten bij appellante in rekening wilde brengen. 1.4 Bij het primaire besluit heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld, die inhoudt dat appellante het openstaande bedrag van € 1.171,57 in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen van € 97,63 moet betalen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft uiteengezet dat hij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat appellante tijdens een informeel telefoongesprek op 10 februari 2020 desgevraagd heeft aangegeven dat zij geen gebruik wenst te maken van het recht te worden gehoord. De door appellante aangevoerde bezwaargronden zien inhoudelijk uitsluitend op de last onder bestuursdwang van 18 oktober 2016, het in bewaring nemen van haar Friese paard naar aanleiding van de hercontrole op 10 november 2016 en het daarop volgende kostenbesluit.

Deze besluiten staan echter in rechte vast, omdat het College hierover reeds een oordeel heeft gegeven en definitief uitspraak heeft gedaan. Appellante heeft geen bezwaren aangevoerd die inhoudelijk zijn gericht tegen de betalingsregeling. Tot slot wijst verweerder erop dat in het primaire besluit abusievelijk het oorspronkelijke bedrag van € 1.171,57 staat vermeld in plaats van het door het College in de uitspraak van 23 november 2017 vastgestelde bedrag van € 1.082,27. Verweerder stelt vast dat appellante dit openstaande bedrag dient te betalen in twaalf opeenvolgende, maandelijkse termijnen van € 90,19. 3.1 Appellante voert, kort samengevat en voor zover hier van belang, aan dat het rapport van bevindingen op basis waarvan verweerder de last onder bestuursdwang heeft opgelegd ondeugdelijk is en dat de last pas zes weken na de controle is opgelegd.

Zij betwist de aan de last ten grondslag gelegde overtredingen, waaronder die met betrekking tot haar Friese paard. De toezichthouder en betrokken dierenarts hebben de dieren niet afzonderlijk onderzocht, maar ten onrechte volstaan met een groepsbeoordeling van de dieren. Aan appellante is geen diergeneeskundige verklaring verstrekt over de gezondheidstoestand van het Friese paard op het moment van het in bewaring nemen van het paard. Ook kan verweerder de gemaakte kosten die bij appellante in rekening zijn gebracht, niet specifiek onderbouwen en heeft verweerder de kosten over een te lange periode doorberekend. 3.2 Appellante voert voorts aan dat verweerder in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft gehandeld door haar niet te horen in bezwaar.

Appellante stelt dat zij nooit een uitnodiging voor een hoorzitting per post of per e-mail heeft ontvangen. Er heeft wel een telefoongesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en appellante, maar tijdens dat telefoongesprek heeft de RVO-medewerker alleen medegedeeld aan appellante dat op haar bezwaar zou worden beslist en dat zij maar moest afzien van een hoorzitting, aldus appellante. 4.1 Het College overweegt allereerst dat appellante nadere stukken aan het College heeft doen toekomen na de sluiting van het onderzoek ter zitting van 17 februari 2021.

Er is geen aanleiding het onderzoek te heropenen, zodat deze stukken niet meer in aanmerking genomen kunnen worden. De stukken worden teruggezonden aan appellante. 4.2 Het College stelt vast dat verweerder een betalingsregeling heeft getroffen voor de kosten van de eerder toegepaste bestuursdwang. Uitsluitend deze betalingsregeling, zoals vastgesteld bij het bestreden besluit, vormt het onderwerp van het geschil. Het College overweegt ambtshalve dat uit artikel 4:94 van de Awb volgt dat een besluit waarbij een betalingsregeling is vastgesteld, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaan (zie de uitspraak van het College van 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:158 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5907). 4.3 Met uitzondering van de beroepsgrond dat verweerder de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden, hebben de beroepsgronden van appellante betrekking op de opgelegde last en het kostenbesluit.

Deze besluiten zijn reeds aan de orde geweest in eerdere procedures bij het College, die hebben geleid tot de hiervoor genoemde uitspraken van 3 oktober 2017 en 23 november 2017. Voor zover dit in deze procedure al aan de orde kan zijn, overweegt het College nog dat uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet blijkt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin deze beroepsgronden die tegen de last of het kostenbesluit naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, met succes aan de orde kunnen worden gesteld. 4.4 Het is vaste rechtspraak van het College (zie onder meer de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:343) dat het in artikel 7:2 van de Awb voorziene recht van een belanghebbende om te worden gehoord alvorens een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure vormt en dat de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief dienen te worden toegepast.

Van het horen van een belanghebbende kan ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb worden afgezien indien de belanghebbende - al dan niet naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het bestuursorgaan - uitdrukkelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht gehoord te worden. De bewijslast omtrent de hiertoe gebleken toestemming dient bij het bestuursorgaan te liggen. Verweerder heeft in dit verband een “Telefoonnotitie andere aanpak” van een telefoongesprek op 10 februari 2020 tussen een RVO-medewerker en appellante overgelegd.

Deze telefoonnotitie vermeldt dat appellante, nadat zij erop is gewezen dat alleen de betalingsregeling voorligt en zij daarover geen opmerkingen heeft, desgevraagd aan de RVO-medewerker heeft medegedeeld dat zij geen behoefte heeft aan een hoorzitting. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inhoud van de telefoonnotitie geen juiste weergave is van het gevoerde gesprek. Nu appellante blijkens de telefoonnotitie heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord, kon verweerder op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb afzien van het horen van appellante.

Van een schending van de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb is daarom geen sprake.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2021. De voorzitter is buiten staat De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.