ECLI:NL:CBB:2021:267 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generateduitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/645 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 op het verzet van de vennootschap onder firma [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante (waarvoor optreedt: [naam 2] ) Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 juni 2020. Bij uitspraak van 22 september 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 22 september 2020 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, nadat zij bij aan [naam 2] verzonden griffiersbrief van 28 juli 2020 in de gelegenheid was gesteld een machtiging over te leggen, dit niet heeft gedaan.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2021:267 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In verzet is door [naam 2] aangevoerd: “ [naam 1] noch [naam 2] stelt de brief van uw College d.d. 28 juli 2020 te hebben gelezen. Of deze brief is niet verzonden, of is niet aangekomen of is bij één van beide hiervoor genoemde personen zoekgeraakt.” 3. Het College stelt vast dat uit het dossier blijkt dat [naam 2] de griffiersbrief van 28 juli 2020 heeft ontvangen. Of de brief wel of niet is zoekgeraakt, doet niet terzake.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 20/645 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 op het verzet van de vennootschap onder firma [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante (waarvoor optreedt: [naam 2] ) Procesverloop Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 12 juni 2020. Bij uitspraak van 22 september 2020 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 22 september 2020 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, nadat zij bij aan [naam 2] verzonden griffiersbrief van 28 juli 2020 in de gelegenheid was gesteld een machtiging over te leggen, dit niet heeft gedaan.
2. In verzet is door [naam 2] aangevoerd: “ [naam 1] noch [naam 2] stelt de brief van uw College d.d. 28 juli 2020 te hebben gelezen. Of deze brief is niet verzonden, of is niet aangekomen of is bij één van beide hiervoor genoemde personen zoekgeraakt.” 3. Het College stelt vast dat uit het dossier blijkt dat [naam 2] de griffiersbrief van 28 juli 2020 heeft ontvangen. Of de brief wel of niet is zoekgeraakt, doet niet terzake.
4. Volgens vaste rechtspraak (ook) van het College komen fouten van een gemachtigde voor rekening en risico van degene die de machtiging heeft gegeven, in dit geval appellante. Het verzet is daarom ongegrond. Mogelijke (rechts)gevolgen in de verhouding tussen appellante en de gemachtigde zijn in deze procedure bij de bestuursrechter niet aan de orde.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021. w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer