Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2021:213 ECLI:NL:CBB:2021:213 AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:213 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2021:213
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 19/1618 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen VOF [naam 1], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: B. Veldkamp). Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd. Bij besluit van 20 augustus 2019, als herhaald bij brief van 27 december 2019, (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, maar de geldsommen gewijzigd vastgesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2021:213 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Appellante is het daar niet mee eens en is daarom in beroep gekomen.Beroepsgronden Appellante wijst er in haar beroepsgronden op dat zij de door haar beoogde uitbreiding van haar biologisch grondgebonden melkveebedrijf door de Regeling slechts gedeeltelijk heeft kunnen realiseren. Zij is naar aanleiding van de Regeling gestopt met de ingezette uitbreiding en heeft voldaan aan de doelstelling voor grondgebonden melkveebedrijven. Zij betoogt dat de opgelegde heffingen in geen verhouding staan tot de “overtreding” die zij zou hebben begaan door niet snel genoeg te krimpen.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2020:453
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 18/347, 18/552 en 19/359 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2020 in de zaken tussen Maatschap [naam 1], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante, (gemachtigde: mr. B.D. Bos), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. B. Raven). Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 23 september 2017 en 25 november 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante hoge geldsommen opgelegd van € 518,00 voor periode 3 en van € 4.090,00 voor periode 4.
ECLI:NL:CBB:2020:470
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummer: 18/625 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2020 in de zaak tussen V.O.F.
ECLI:NL:CBB:2020:435
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 18/1360, 18/1361, 18/1362, 18/1363 en 18/1364 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2020 in de zaken tussen maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante gemachtigde: ing. J.A. Rietveld, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder gemachtigden: mr. S.J.E. Loontjes en B. Veldkamp, en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid). Procesverloop Bij besluiten van 2, 6, 9 en 16 december 2017 en 27 januari 2018 (de primaire besluiten) heeft verweerder op grond van de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante heffingen opgelegd van € 622,- voor periode 1, van € 3.178,- voor periode 2, van € 3.504,- voor periode 3, van € 3.821,- voor periode 4 en van € 1.934,- voor periode 5.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 19/1618 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen VOF [naam 1], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: B. Veldkamp). Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (de Regeling) aan appellante geldsommen opgelegd. Bij besluit van 20 augustus 2019, als herhaald bij brief van 27 december 2019, (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard, maar de geldsommen gewijzigd vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Namens appellante heeft [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] , via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en heeft eveneens via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Overwegingen Inleiding De Regeling is op 1 maart 2017 in werking getreden en heeft tot doel de fosfaatproductie te begrenzen.

Voor de periodes van de Regeling (lopend van maart tot en met december 2017) legt verweerder een heffing op aan een melkveehouder die meer vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op 2 juli 2015 (de peildatum) en kent een bonusgeldsom toe indien een melkveehouder minder vrouwelijke runderen houdt dan het referentieaantal op de peildatum. Verweerder heeft appellante over de periodes 1 tot en met 5 geldsommen opgelegd. Voor periode 1, 2 en 5 een solidariteitsgeldsom en voor de andere periodes een hoge geldsom. Het gaat om de volgende bedragen: voor periode 1 € 1.207,-, voor periode 2 € 838,-, voor periode 3 € 4.142,-, voor periode 4 € 3.902,- en voor periode 5 € 259,-.

Appellante is het daar niet mee eens en is daarom in beroep gekomen.Beroepsgronden Appellante wijst er in haar beroepsgronden op dat zij de door haar beoogde uitbreiding van haar biologisch grondgebonden melkveebedrijf door de Regeling slechts gedeeltelijk heeft kunnen realiseren. Zij is naar aanleiding van de Regeling gestopt met de ingezette uitbreiding en heeft voldaan aan de doelstelling voor grondgebonden melkveebedrijven. Zij betoogt dat de opgelegde heffingen in geen verhouding staan tot de “overtreding” die zij zou hebben begaan door niet snel genoeg te krimpen.

Appellante vond het ethisch en emotioneel niet verantwoord sneller te krimpen en zoveel jonge dieren naar de slacht te brengen. Daarom heeft zij de keuze gemaakt dieren voor het leven te verkopen en daarmee dierenleed te voorkomen. Doordat de markt op dat moment overvol was, verliep het inkrimpen trager dan het door verweerder gewenste tijdspad, aldus appellante. Ter zitting heeft appellante nader toegelicht dat de geldsommen in – met name – periode 3 en 4 ook hoog zijn uitgevallen doordat haar verzoek om het buiten toepassing laten van de Regeling naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag was toegewezen.

Weliswaar met de aantekening dat de geldsommen alsnog zouden worden opgelegd indien het gerechtshof anders zou oordelen, maar de situatie was op dat moment onzeker. Appellante was onder die omstandigheden huiverig om goed vee weg te doen, omdat dit later niet zomaar zou kunnen worden bijgekocht vanwege de gezondheidsrisico’s. Na de uitspraak van het gerechtshof heeft zij alsnog bijzonder snel gereduceerd, waardoor het doel van de Regeling in periode 5 was bereikt, aldus appellante.Beoordeling beroepsgronden Zoals het College eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraken van het College van 14 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:453 en van 21 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:470), bestaat voor de toepassing van de hardheidsclausule aanleiding, indien het strikt volgen van de Regeling in het desbetreffende geval onevenredige gevolgen met zich brengt.

Zoals het College eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 7 juli 2020, ECLI:NL:CBB:2020:435) komt het wachten met reduceren van het aantal runderen voor rekening van appellante, nu verweerder appellante direct te kennen heeft gegeven dat hij de heffingen alsnog zou opleggen indien de uitkomst van het door hem tegen de vonnissen van 4 mei 2017 ingestelde spoedappèl daarvoor ruimte zou bieden. Ook overigens slaagt het beroep van appellante op de hardheidsclausule niet. Hoewel de keuzes van appellante, in het licht ook van haar biologische bedrijfsvoering, op zichzelf vallen te begrijpen, betekent dit niet dat verweerder de gevolgen van deze keuzes niet voor rekening en risico van appellante mocht laten.

Het College acht niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsvoering van appellante zodanig afwijkt van die van andere veehouders dat verweerder daarin aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet. Slotsom 8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. B. van Dokkum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.