Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2020:761 ECLI:NL:CBB:2020:761 AI generated

ECLI:NL:CBB:2020:761 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2020:761
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1468 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaak tussen [naam 1] en de erven van [naam 2], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellanten (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen) en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjes). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2017 heeft verweerder het verzoek van de maatschap [naam 2] en [naam 1] (de maatschap) om de Regeling fosfaatreductieplan (de Regeling) buiten toepassing te verklaren voor haar bedrijf toegewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2020:761 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Overwegingen De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij uitspraken van 4 mei 2017 de Regeling buiten werking gesteld voor een aantal melkveehouders (ECLI:NL:RBDHA:2017:4632-4638). De maatschap heeft verweerder verzocht de Regeling ook voor haar buiten werking te stellen, omdat haar situatie vergelijkbaar is met die van deze melkveehouders. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 13 oktober 2017 toegewezen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op basis van de door de maatschap overgelegde stukken aannemelijk is dat in haar geval sprake is van onomkeerbare investeringen voor de peildatum en/of biologische bedrijfsvoering.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2017:4632
Rechtbank den haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/528572 / KG ZA 17/321 Vonnis in kort geding van 4 mei 2017 in de zaak van de vennootschap onder firma [eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, advocaten mr. W.M. Bijloo en mr. A.C. Teeuw te Middelharnis, tegen: de Staat der Nederlanden, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaten mr. B.J. Drijber en mr. P.P. Huurnink te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiseres’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de akte houdende een conclusie van eis met producties; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties; - de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
ECLI:NL:GHDHA:2017:3067
GERECHTSHOF DEN HAAG Afdeling Civiel recht Zaaknummer : 200.217.325/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/528466 / KG ZA 17/313 arrest van 31 oktober 2017 inzake de Staat der Nederlanden (Ministerie van Economische Zaken), zetelend te Den Haag, appellant in het principaal appel, verweerder in het (voorwaardelijk) incidenteel appel, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. E.H. Pijnacker Hordijk te Den Haag, tegen 1. de vennootschap onder firma [naam vof] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , en haar vennoten [vennoot 1] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , [vennoot 2] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , [vennoot 3] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , [vennoot 4] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , 2. [naam vof] V.O.F., gevestigd te [vestigingsplaats] , en haar vennoten [vennoot 1] , [vennoot 2] , beiden wonende te [woonplaats] , 3.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/1468 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaak tussen [naam 1] en de erven van [naam 2], te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellanten (gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen) en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjes). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2017 heeft verweerder het verzoek van de maatschap [naam 2] en [naam 1] (de maatschap) om de Regeling fosfaatreductieplan (de Regeling) buiten toepassing te verklaren voor haar bedrijf toegewezen.

Bij besluit van 19 juni 2018 heeft verweerder het tegen het besluit van 13 oktober 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De maatschap heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. [naam 2] is op 11 februari 2020 overleden. Appellanten hebben te kennen gegeven de beroepsprocedure voort te zetten. Appellanten hebben nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020. Appellanten zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij uitspraken van 4 mei 2017 de Regeling buiten werking gesteld voor een aantal melkveehouders (ECLI:NL:RBDHA:2017:4632-4638). De maatschap heeft verweerder verzocht de Regeling ook voor haar buiten werking te stellen, omdat haar situatie vergelijkbaar is met die van deze melkveehouders. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 13 oktober 2017 toegewezen. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op basis van de door de maatschap overgelegde stukken aannemelijk is dat in haar geval sprake is van onomkeerbare investeringen voor de peildatum en/of biologische bedrijfsvoering.

De maatschap heeft bezwaar gemaakt tegen het voor haar gunstige besluit van 13 oktober 2017, omdat verweerder bij dit besluit niet alle volgens haar relevante omstandigheden heeft betrokken. Het hof Den Haag heeft de beroepen van de Staat tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2017 bij uitspraken van 31 oktober 2017 gegrond verklaard en de uitspraken van de voorzieningenrechter vernietigd (ECLI:NL:GHDHA:2017:3067-3072). Hierop heeft verweerder de maatschap bij brief van 24 november 2017 te kennen gegeven dat de Regeling met terugwerkende kracht van toepassing is op haar bedrijf.

Bij zijn besluit van 19 juni 2018 heeft verweerder het door de maatschap tegen het besluit van 13 oktober 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College stelt vast dat de beroepszaak die de maatschap aan hem voorlegt niet gaat over het hervatten van de tenuitvoerlegging van de Regeling en evenmin over de door verweerder aan de maatschap opgelegde heffingen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de besluiten waarbij aan de maatschap heffingen zijn opgelegd inmiddels in rechte onaantastbaar zijn. Het College stelt vast dat het door de maatschap ingestelde beroep gaat over de vraag of verweerder bij de toewijzing van het verzoek van de maatschap de Regeling buiten toepassing te verklaren ook andere bedrijfsspecifieke omstandigheden had moeten betrekken.

Naar het oordeel van het College had de maatschap geen belang bij het door haar tegen het besluit van 13 oktober 2017 gemaakte bezwaar, omdat voor haar hoe dan ook geen gunstigere uitkomst met het bezwaar kon worden bereikt. Gronden over de bedrijfsspecifieke omstandigheden had appellante kunnen aanvoeren tegen de voor haar ongunstige besluiten tot opleggen van heffingen. Verweerder had het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2017 daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het hoger beroep is gegrond. Het besluit van 19 juni 2018 komt voor vernietiging in aanmerking.

Het College zal het tegen het besluit van 13 oktober 2017 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het door hem vernietigde besluit. Verweerder dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing Het College - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 19 juni 2018; - verklaart het tegen het besluit van 13 oktober 2017 gemaakte bezwaarniet-ontvankelijk; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 525,-; - bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 338,00 aan appellanten dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in aanwezigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2020. w.g. A.J.C. de Moor-van Vugt w.g. W. Dijkshoorn