Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2020:560 ECLI:NL:CBB:2020:560 AI generated

ECLI:NL:CBB:2020:560 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2020:560
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/217 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2020 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: C. Zieleman) Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij besluit van 23 juli 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2020:560 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Zieleman) Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij besluit van 23 juli 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/217 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 augustus 2020 in de zaak tussen Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats] , appellante en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: C. Zieleman) Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld. Bij besluit van 23 juli 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard, dat besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante hoger vastgesteld.

Verweerder heeft het bezwaar van appellante tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:15, van de Algemene wet bestuursrecht, als beroepschrift doorgestuurd naar het College. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. De gemachtigde van verweerder is verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1.

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat een hoger excretieforfait moet worden gehanteerd, namelijk 44,2 kg per koe in plaats van 32,4 kg per koe, omdat dat forfait wordt gehanteerd bij de maatschap Menkveld-de Haan, waarvan de koeien bij haar zijn ingeschaard. 2.1. Naar het oordeel van het College biedt het van toepassing zijnde wettelijke kader, artikel 23, derde lid, van de Msw, geen aanknopingspunt voor het standpunt van appellante dat verweerder in een situatie als hier aan de orde, waarin appellante gedurende een periode in 2015 houder van de dieren was, bij haar het excretieforfait van Menkveld-de Haan (de uitschaarder) moet toepassen.

Uit dit kader blijkt wel dat de forfaitere productienorm per melkkoe moet worden vastgesteld door de hoeveelheid op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal gehouden melkkoeien. Zo heeft verweerder ook het excretieforfait van de uitschaarder berekend. Niet in geschil is dat de hoeveelheid op het bedrijf van appellant geproduceerde koemelk in 2015 nagenoeg nihil is. Het College acht niet ontoelaatbaar dat verweerder in die situatie uitgaat van het laagste excretieforfait van 32,4 kg en niet van het excretieforfait van de uitschaarder.

Verweerder is dus terecht uitgegaan van het excretieforfait van 32,4 kg. 2.2. Wat in beroep verder nog is aangevoerd valt buiten de omvang van het geding.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2020. w.g. J.L. Verbeek w.g. J.W.E. Pinckaers