ECLI:NL:CBB:2019:546 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/249 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 op het verzet van [naam] V.O.F., te [plaats] , appellante, (gemachtigde: mr. E. Meijer), Procesverloop Appellante heeft tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 december 2018 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 mei 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 7 mei 2019 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, na laatstelijk bij griffiersbrief van 5 maart 2019 in de gelegenheid te zijn gesteld om binnen vier weken alsnog de gronden van het beroep in te dienen, dat niet heeft gedaan.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2019:546 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In verzet is gebleken dat appellante niet is verzuim is geweest. Appellante heeft bij brief van 31 maart 2019, bij het College afgegeven op 2 april 2019, de gronden van het beroep ingediend, zij het met vermelding van een verkeerd zaaknummer. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 19/249 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 op het verzet van [naam] V.O.F., te [plaats] , appellante, (gemachtigde: mr. E. Meijer), Procesverloop Appellante heeft tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 december 2018 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 7 mei 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 7 mei 2019 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, na laatstelijk bij griffiersbrief van 5 maart 2019 in de gelegenheid te zijn gesteld om binnen vier weken alsnog de gronden van het beroep in te dienen, dat niet heeft gedaan.
2. In verzet is gebleken dat appellante niet is verzuim is geweest. Appellante heeft bij brief van 31 maart 2019, bij het College afgegeven op 2 april 2019, de gronden van het beroep ingediend, zij het met vermelding van een verkeerd zaaknummer. Het verzet moet daarom gegrond worden verklaard.
3. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak van 7 mei 2019 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019. w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer