ECLI:NL:CBB:2019:535 · College van Beroep voor het bedrijfsleven
Legislator summary
AI generatedCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/2101 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 op het verzet van Firma [naam] , te [plaats] , appellante, Procesverloop Appellante heeft tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 augustus 2018 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 maart 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 19 maart 2019 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, na laatstelijk bij griffiersbrief van 13 december 2018 in de gelegenheid te zijn gesteld alsnog een ondertekende machtiging over te leggen, dat niet heeft gedaan.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:CBB:2019:535 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Bij uitspraak van 19 maart 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 19 maart 2019 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, na laatstelijk bij griffiersbrief van 13 december 2018 in de gelegenheid te zijn gesteld alsnog een ondertekende machtiging over te leggen, dat niet heeft gedaan.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedFull text
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 18/2101 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2019 op het verzet van Firma [naam] , te [plaats] , appellante, Procesverloop Appellante heeft tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 17 augustus 2018 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 maart 2019 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen de uitspraak van 19 maart 2019 verzet gedaan. Overwegingen 1. Het College heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante, na laatstelijk bij griffiersbrief van 13 december 2018 in de gelegenheid te zijn gesteld alsnog een ondertekende machtiging over te leggen, dat niet heeft gedaan.
2. In verzet is gebleken dat appellante niet in verzuim is geweest. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard.
3. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak van 19 maart 2019 en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019. w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer