Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2018:72 ECLI:NL:CBB:2018:72 AI generated

ECLI:NL:CBB:2018:72 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2018:72
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/1073 5111 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2018 in de zaak tussen MTS. [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.G.J van den Bergh), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. van der Zwaard en mr. C. Cromheecke). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante 48,61 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2018:72 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.G.J van den Bergh), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. van der Zwaard en mr. C. Cromheecke). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante 48,61 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 16/1073 5111 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2018 in de zaak tussen MTS. [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.G.J van den Bergh), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder (gemachtigde: mr. M. van der Zwaard en mr. C. Cromheecke). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante 48,61 betalingsrechten voor 2015 toegewezen op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 11 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2018. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals van te voren aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing Het College: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 501,-. Overwegingen 1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder heeft de onrechtmatigheid van het bestreden besluit erkend. Het beroep is dus gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. M.P.A. DeKoninck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2018. w.g. R.W.L. Koopmans w.g. M.P.A. DeKoninck