Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2018:71 ECLI:NL:CBB:2018:71 AI generated

ECLI:NL:CBB:2018:71 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2018:71
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1541 11350 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2018 op het verzet van Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, appellante in verzet (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho). Procesverloop Appellante in verzet heeft tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 november 2017 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat beroep kennelijk ongegrond verklaard. Appellante in verzet heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en zij heeft verzocht om te worden gehoord. Het horen ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. De gemachtigde van appellante is verschenen. Overwegingen 1. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag, of het College ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - kennelijk ongegrondheid van het beroep.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:55 van de Awb, artikel 6:2 van de Awb, artikel 1:3 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2018:71 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Er is naar het oordeel van het College gerede twijfel mogelijk over de juistheid van de aanname in de uitspraak van 27 november 2017 dat appellante in verzet eenduidig enkel heeft verzocht om intrekking van een algemeen verbindend voorschrift, te weten hoofdstuk 2 van de Regeling met de daarbij behorende tabellen. In het verzoek van 12 april 2017 heeft appellante in verzet als uitgangspunt genomen dat, gelet op de uitspraak van het College van 28 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:70, de beoordelingssystematiek waarop de positieflijst en daarmee de aanwijzing van de diersoorten of diercategorieën in de tabellen 1 en 2 van bijlage 1 bij de Regeling zijn gebaseerd, als ondeugdelijk moet worden gekwalificeerd.

Keywords

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:55 van de Awb artikel 6:2 van de Awb artikel 1:3 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Bij uitspraak van 27 november 2017 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat beroep kennelijk ongegrond verklaard.
artikel 8:55 van de Awb
Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag, of het College ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - kennelijk ongegrondheid van het beroep.
artikel 6:2 van de Awb
artikel 1:3 van de Awb
De mogelijkheid om de intrekking van de aanwijzing van een diersoort te verzoeken is uitdrukkelijk geregeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling en de weigering daartoe over te gaan dient dan ook te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2017:70
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/750 11350 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2017 in de zaak tussen Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, appellante (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. J.E.W. Tielemans). Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 1 februari 2015, hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Regeling) vastgesteld, waarbij de soorten muntiacus (muntjak) en mazama zijn geplaatst in tabel 3 van Bijlage 2 van de Regeling van diersoorten die niet worden aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.
ECLI:NL:CBB:2017:107
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/700 11350 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2017 in de zaak tussen Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, appellante (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. J.E.W. Tielemans). Procesverloop Bij brief van 31 december 2014 heeft appellante een aanvraag ingediend tot plaatsing op de lijst als bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling houders van dieren (Regeling) van de soort Euchoretes naso (Grootoorspringmuis).
ECLI:NL:CBB:2017:108
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/751 11350 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2017 in de zaak tussen Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, appellante (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. J.E.W. Tielemans). Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Regeling) vastgesteld, waarbij de soort Oryctolagus cuniculus (konijn) is geplaatst in tabel 1 van Bijlage 1 van de Regeling.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 17/1541 11350 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2018 op het verzet van Stichting Platform Verantwoord Huisdierenbezit, te Otterlo, appellante in verzet (gemachtigde: mr. E. Philippi-Gho). Procesverloop Appellante in verzet heeft tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister) van 17 oktober 2017 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 27 november 2017 heeft het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat beroep kennelijk ongegrond verklaard. Appellante in verzet heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan en zij heeft verzocht om te worden gehoord. Het horen ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. De gemachtigde van appellante is verschenen. Overwegingen 1. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag, of het College ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens - in dit geval - kennelijk ongegrondheid van het beroep.

2. Het College heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard op grond van de overweging dat de minister moest concluderen dat tegen de weigering van de intrekking van het in de Staatscourant van 31 januari 2017, nr. 5558, bekendgemaakte voornemen tot het nemen van het Besluit Aanwijzing te houden zoogdiersoorten geen bezwaar kon worden gemaakt. Daartoe heeft het College overwogen dat bekendmaking van een dergelijk voornemen op zichzelf niet leidt tot enige wijziging van hetgeen rechtens met betrekking tot het houden van zoogdieren geldt. Nu de bekendmaking derhalve niet op het creëren van enig rechtsgevolg is gericht, kan de bekendmaking niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, worden aangemerkt en de intrekking daarvan of de weigering van zodanige intrekking evenmin.

Voor zover appellante in verzet heeft verzocht om intrekking van Hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Regeling) met de daarbij behorende tabellen heeft het College overwogen dat die regeling zonder twijfel is aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift en ingevolge artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb in samenhang met artikel 6:2 van de Awb daartegen geen beroep kan worden ingesteld.

3. Appellante in verzet betoogt in haar verzetschrift dat er gerede twijfel bestaat over de juistheid van het oordeel van het College dat het beroep ongegrond is. Daartoe voert appellante in verzet aan dat zij met haar brieven van 29 maart 2017 en 12 april 2017 drie verzoeken bij de minister heeft ingediend in verband met de uitspraken van het College van 28 maart 2017 op de daarin aan de orde zijnde beroepen van appellante in verzet (ECLI:NL:CBB:2017:70, ECLI:NL:CBB:2017:107 en ECLI:NL:CBB:2017:108). Behalve het verzoek tot intrekking van het voornemen tot het nemen van het Besluit Aanwijzing te houden zoogdiersoorten en tot intrekking van hoofdstuk 2 van de Regeling, met name artikel 2.2, tweede lid, van dit hoofdstuk, heeft zij tevens verzocht om intrekking van de aanwijzing van de zoogdiersoorten op de tabellen 1 en 2 van bijlage 1 bij de Regeling, met uitzondering van de aanwijzing van het konijn op tabel 2.

Het bezwaar en het beroep zijn uitsluitend gericht tegen de weigering van de minister de aanwijzing van de zoogdiersoorten in de tabellen 1 en 2 (met uitzondering van het konijn) van bijlage 1 bij de Regeling in te trekken. Zoals het College in zijn uitspraak van 28 maart 2017 (ECLI: NL:CBB:2017:107) heeft geoordeeld is het besluit tot aanwijzing van diersoorten of diercategorieën in deze tabellen geen algemeen verbindende voorschrift maar een concretiserend besluit van algemene strekking. De mogelijkheid om de intrekking van de aanwijzing van een diersoort te verzoeken is uitdrukkelijk geregeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling en de weigering daartoe over te gaan dient dan ook te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat.

4. Er is naar het oordeel van het College gerede twijfel mogelijk over de juistheid van de aanname in de uitspraak van 27 november 2017 dat appellante in verzet eenduidig enkel heeft verzocht om intrekking van een algemeen verbindend voorschrift, te weten hoofdstuk 2 van de Regeling met de daarbij behorende tabellen. In het verzoek van 12 april 2017 heeft appellante in verzet als uitgangspunt genomen dat, gelet op de uitspraak van het College van 28 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:70, de beoordelingssystematiek waarop de positieflijst en daarmee de aanwijzing van de diersoorten of diercategorieën in de tabellen 1 en 2 van bijlage 1 bij de Regeling zijn gebaseerd, als ondeugdelijk moet worden gekwalificeerd.

Op pagina 8 van haar verzoek stelt appellante in verzet uitdrukkelijk dat om die reden de gehele positieflijst, dus ook de tabellen 1 en 2 van bijlage 1 bij de Regeling, moet worden ingetrokken. Over de opvatting van appellante in verzet in haar verzoek dat bedoelde aanwijzing in genoemde tabellen onrechtmatig moet worden geacht kan naar het oordeel van het College derhalve weinig tot geen twijfel bestaan. Gelet hierop staat naar het oordeel van het College dan ook niet buiten redelijke twijfel vast dat het verzoek van 12 april 2017 niet in die zin als meerledig kan worden opgevat dat dit er mede toe strekte de minister meer specifiek te verzoeken om tot intrekking over te gaan van de aanwijzing van de diersoorten of diercategorieën in de tabellen 1 en 2 van bijlage 1 van de Regeling.

5. Het College heeft in vorengenoemde uitspraak van 28 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:107, geoordeeld dat het besluit tot aanwijzing van diersoorten of diercategorieën op grond van de daartoe in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren aan de minister gegeven bevoegdheid een concretiserend besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, is. Voorts stelt het College met appellante in verzet vast dat in artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid om een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing van een diersoort of een diercategorie in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb wordt de afwijzing van een verzoek om een aanwijzing van een diersoort in te trekken dan wel de schriftelijke weigering om een besluit te nemen op een dergelijk verzoek voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.

6. Het College heeft het voorgaande in zijn uitspraak van 27 november 2017 niet onderkend. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat het College het beroep van appellante in verzet niet als kennelijk ongegrond heeft mogen afdoen op de wijze waarop dit is gedaan in de uitspraak van 27 november 2017. Dit betekent dat het verzet gegrond dient te worden verklaard.

7. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan. Het onderzoek wordt hervat in de stand waarin het zich bevond. Beslissing Het College verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018. w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. El Markai