Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2016:288 ECLI:NL:CBB:2016:288 AI generated

ECLI:NL:CBB:2016:288 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2016:288
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/363 17000 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 september 2016 op het hoger beroep van: [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. K. de Wit), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014, kenmerk ROT 13/3633, in het geding tussen appellant en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister), (gemachtigde: mr. I.L. de Graaf). Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2668) (bestreden uitspraak).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2016:288 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Standpunt van appellant in hoger beroep 3. Appellant kan zich niet vinden in de bestreden uitspraak. Hij stelt dat hij de constateringen waarvan in de rapporten melding wordt gemaakt niet anders kan weerleggen dan door middel van getuigenbewijs. Appellant voert hierbij aan dat de verklaring van een controleambtenaar van de NVWA, blijkens de jurisprudentie, zonder tegenbewijs voor waar wordt aangenomen. Appellant wenst daarom ter zitting met een getuigeverklaring van [naam 3] aan te tonen dat zijn keuken wel aan de in de regelgeving gestelde vereisten voldeed.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2014:2668
Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2668) (bestreden uitspraak).
ECLI:NL:RVS:2013:1671
201302809/1/A3. Datum uitspraak: 23 oktober 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 maart 2013 in zaak nr. 13/66 in het geding tussen: [appellant] en de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR). Procesverloop Bij besluit van 7 september 2012 heeft het CBR het aan [appellant] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp) deel te nemen.
ECLI:NL:CBB:2007:BA1577
De procedure Appellant heeft bij brief van 17 mei 2006, op dezelfde datum per telefax bij het College binnengekomen, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde, op 5 april 2006 aan partijen toegezonden uitspraak van de rechtbank. Bij brief van 31 mei 2006 heeft appellant desgevraagd stukken ingediend. Op 21 juni 2006 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aan het College doen toekomen. Bij brief van 19 juli 2006 heeft A een reactie op het beroepschrift ingediend. Op 19 januari 2006 heeft appellant een nader stuk aan het College toegezonden. Op 30 januari 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij hun gemachtigden zijn verschenen. Aan de kant van A zijn voorts verschenen: M.W. Klop, bestuurder van Tabak Special Groep B.V., en G. Koudeis, werkzaam bij NSO, brancheorganisatie voor de tabaksdetailhandel.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 14/363 17000 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 september 2016 op het hoger beroep van: [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. K. de Wit), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014, kenmerk ROT 13/3633, in het geding tussen appellant en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister), (gemachtigde: mr. I.L. de Graaf). Procesverloop in hoger beroep Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 april 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2668) (bestreden uitspraak).

Bij brieven van 3 september 2014 en 10 maart 2016 heeft verweerder reacties op het hoger beroepschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als getuige aan de zijde van appellant is verschenen [naam 3] ( [naam 3] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

Het College volstaat met het volgende. 1.2 Bij twee besluiten van 26 oktober 2012 en één besluit van 23 november 2012 heeft de minister aan appellant bestuurlijke boetes opgelegd ter hoogte van € 3.150,- ( in totaal € 9.450,-). Dit omdat was geconstateerd dat de bedrijfsruimten voor levensmiddelen van appellants restaurant niet schoon waren en artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen niet afdoende werden schoongemaakt en zo nodig ontsmet. 1.3 Bij besluit van 25 april 2013, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en in de bestreden uitspraak voorop gesteld dat naar analogie van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering beboetbare feiten – behoudens tegenbewijs – kunnen worden aangenomen op basis van op een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van een bijzondere opsporingsambtenaar (vgl. ABRvS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1671 en CBb 13 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1577). De rechtbank heeft vastgesteld dat de door appellant overgelegde verklaring van [naam 3] , die voorheen als milieu-inspecteur werkzaam geweest is, niets inhoudt over het al dan niet naleven van de hygiënevoorschriften in de inspectielocatie, maar ingaat op de wijze waarop eiser is bejegend door controleambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en politieambtenaren.

De rechtbank heeft overwogen dat zelfs indien controleambtenaren van de NVWA tijdens een of meer inspecties Egyptische zaden hebben aangezien voor muizenkeutels, er ter zake van de drie inspecties die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, meerdere in de processen-verbaal neergelegde feitelijke constateringen van de controleambtenaren van de NVWA resteren betreffende het niet schoon zijn van de bedrijfsruimten voor levensmiddelen en het niet afdoende schoonmaken van uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze feitelijke – in op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal neergelegde – vaststellingen niet, althans niet gemotiveerd, door appellant zijn weersproken, zodat voldoende vast is komen te staan dat appellant de beboetbare overtredingen heeft begaan.

Standpunt van appellant in hoger beroep 3. Appellant kan zich niet vinden in de bestreden uitspraak. Hij stelt dat hij de constateringen waarvan in de rapporten melding wordt gemaakt niet anders kan weerleggen dan door middel van getuigenbewijs. Appellant voert hierbij aan dat de verklaring van een controleambtenaar van de NVWA, blijkens de jurisprudentie, zonder tegenbewijs voor waar wordt aangenomen. Appellant wenst daarom ter zitting met een getuigeverklaring van [naam 3] aan te tonen dat zijn keuken wel aan de in de regelgeving gestelde vereisten voldeed.

Ten slotte betoogt appellant dat de aan hem opgelegde boetes onrechtvaardig, willekeurig, onzorgvuldig en onevenredig zijn. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 4.1 Ter beoordeling staat of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat voldoende vast is komen te staan dat appellant de hem ten laste gelegde overtredingen heeft begaan. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 4.2 Het College heeft ter zitting [naam 3] als getuige gehoord. [naam 3] heeft verklaard al jarenlang vaste klant van appellant te zijn.

Hij heeft gezien dat appellant met regelmaat zijn werkblad en elke dag na sluitingstijd de hele zaak schoonmaakt. Daarnaast heeft [naam 3] verklaard dat hij bij één van de drie voorliggende controles van de NVWA aanwezig is geweest en dat er tijdens deze controle geen sprake was van waarheidsvinding. 4.3 Het College gaat aan de verklaring van [naam 3] over een van de drie voorliggende controles door de NVWA voorbij, nu hij in een eerdere ondertekende verklaring gedateerd 10 november 2012, heeft aangegeven bij de controlebezoeken door de NVWA niet persoonlijk aanwezig te zijn geweest.

Daarnaast valt in deze verklaring te lezen dat de conclusies die [naam 3] omtrent deze controles heeft getrokken, gebaseerd zijn op het verhaal van appellant. [naam 3] heeft voorts ter zitting niet overtuigend aan kunnen geven op grond van welke waarneming hij over de bij de inspecties aangetroffen omstandigheden betrouwbare uitspraken kon doen. Gezien het voorgaande heeft zijn verklaring niet de waarde die appellant daaraan hecht en ontkracht zijn verklaring de inhoud van de verschillende - op ambtseed of ambtsbelofte - opgemaakte processen-verbaal niet. 4.4 Nu appellant in hoger beroep zijn stelling dat zijn keuken wel aan de geldende regelgeving voldeed, aldus niet nader heeft onderbouwd ziet het College geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen in de processen-verbaal te twijfelen.

Het College volgt het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben gebracht. 4.5 De stelling van appellant dat de boetes onrechtvaardig, willekeurig, onzorgvuldig en onevenredig zijn, heeft appellant evenmin onderbouwd. Het College acht de aan appellant opgelegde boetes, gelet op de omstandigheden van het geval, evenredig aan de aard en de ernst van de overtredingen. 4.6 Hetgeen appellant overigens ter zitting met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.

5. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Het College bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. H.S.J. Albers en mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2016. w.g. W.E. Doolaard w.g. W.M.J.A. Duret