Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2016:255 ECLI:NL:CBB:2016:255 AI generated

ECLI:NL:CBB:2016:255 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2016:255
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/938 16600 uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2016 in de zaak tussen V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij) en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder Procesverloop Appellante heeft tegen het besluit van 30 oktober 2015 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.

Legislator headnote

AI generated

artikel 7:2 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2016:255 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Door langdurige ziekte onder haar vee is het referentieaantal dat bepalend is voor de MVFR niet representatief. Appellante is verder van mening dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord. 4.2 Bij uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:149) heeft het College de vraag of de in de Wvgm voorziene maatregelen in zijn algemeenheid voldoen aan de in het kader van artikel 1 van het EP te stellen eisen van proportionaliteit, bevestigend beantwoord (rechtsoverweging 5.5.3). Het College heeft in haar uitspraak van 15 juni 2016 vervolgens beoordeeld of sprake is van een individuele buitensporige last (overwegingen 5.6.1 tot en met 5.6.3).

Keywords

AI generated
artikel 7:2 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 7:2 van de Awb
Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CBB:2016:149
Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 15/394, 15/463, 15/560, 15/561, 15/575, 15/587, 15/588, 15/593, 15/594, 15/596, 15/611, 15/623, 15/629, 15/633, 15/635, 15/644, 15/703, 15/715, 15/721, 15/722, 15/724, 15/725, 15/726, 15/727, 15/729 16600 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2016 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats 1] , appellant sub 1 V.O.F. [naam 2], te [plaats 2] , appellante sub 2 Melkveebedrijf [naam 3] V.O.F., te [plaats 3] , appellante sub 3 Melkveebedrijf [naam 4] V.O.F., te [plaats 4] , appellante sub 4 [naam 5] V.O.F., te [plaats 5] , appellante sub 5 Melkveebedrijf [naam 6] V.O.F., [plaats 6] , appellante sub 6 [naam 7] V.O.F., te [plaats 7] , appellante sub 7 V.O.F. [naam 8], te [plaats 8] , appellante sub 8 [naam 9] , te [plaats 9] , appellant sub 9 Maatschap Melkveebedrijf [naam 10], te [plaats 10] , appellante sub 10 [naam 11] V.O.F., te [plaats 4] , appellante sub 11 V.O.F. [naam 12], te [plaats 11] , appellante sub 12 Melkveebedrijf [naam 13] V.O.F., te [plaats 12] , appellante sub 13 Melkveehouderij [naam 14] V.O.F., te [plaats 13] , appellante sub 14 [naam 15] , te [plaats 14] , appellant sub 15 [naam 16] en [naam 17] V.O.F., te [plaats 3] , appellante sub 16 Melkveebedrijf [naam 18] V.O.F., te [plaats 15] , appellante sub 17 [naam 19] V.O.F., te [plaats 4] , appellante sub 18 V.O.F. [naam 20], te [plaats 16] , appellante sub 19 [naam 21] V.O.F., te [plaats 17] , appellante sub 20 (gemachtigde: mr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/938 16600 uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2016 in de zaak tussen V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij) en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder Procesverloop Appellante heeft tegen het besluit van 30 oktober 2015 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.

2. Het geschil heeft betrekking op de toepassing van de op 1 januari 2015 in werking getreden Wet verantwoorde groei melkveehouderij (Wvgm). Deze wet bevat een aanvulling van de Meststoffenwet (Msw) met betrekking tot de regels voor verwerking van dierlijke meststoffen. De materiële kern van de wet is de wijziging van artikel 21 en de invoeging van artikel 21a van de Msw in titel 2 van hoofdstuk 5.

3. Appellante exploiteert een agrarische bedrijf met melkvee. Verweerder heeft op grond van artikel 21a, eerste lid, van de Msw de melkveefosfaatreferentie (MVFR) van appellante vastgesteld op 596 kg fosfaat. Daartegen heeft appellante bezwaar gemaakt. De bezwaren van appellante zijn ongegrond verklaard. 4.1 Appellante heeft gesteld dat de Wvgm in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). De Wvgm was niet voorzienbaar. Er is sprake van een individuele buitensporige last.

Door langdurige ziekte onder haar vee is het referentieaantal dat bepalend is voor de MVFR niet representatief. Appellante is verder van mening dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord. 4.2 Bij uitspraak van 15 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:149) heeft het College de vraag of de in de Wvgm voorziene maatregelen in zijn algemeenheid voldoen aan de in het kader van artikel 1 van het EP te stellen eisen van proportionaliteit, bevestigend beantwoord (rechtsoverweging 5.5.3). Het College heeft in haar uitspraak van 15 juni 2016 vervolgens beoordeeld of sprake is van een individuele buitensporige last (overwegingen 5.6.1 tot en met 5.6.3).

Het College heeft overwogen dat appellanten, naar het College begrijpt, in de kern wensen, ieder wegens eigen omstandigheden, dat verweerder in hun geval, bij de vaststelling van de MVFR ter compensatie van een op hen rustende individuele, buitensporige last afwijkt van de verplichtingen op grond van de Msw. De verzoeken van appellanten kunnen worden aangemerkt als verzoeken aan verweerder om gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 38, tweede lid, van de Msw om ontheffing te verlenen van de verplichtingen op grond van de Msw. Naar het oordeel van het College is verweerder niet kenbaar ingegaan op de individuele omstandigheden van appellanten.

Door dat niet te doen heeft verweerder de desbetreffende besluiten niet voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd (rechtsoverweging 5.6.3 van voornoemde uitspraak). 4.3 Het College stelt vast dat appellante ten aanzien van de vraag of de in de Wvgm voorziene maatregelen in zijn algemeenheid voldoen aan de in het kader van artikel 1 van het EP te stellen eisen van proportionaliteit geen argumenten heeft aangevoerd die niet al zijn betrokken bij de uitspraak van 15 juni 2016. Het College stelt verder vast dat appellante haar individuele omstandigheden heeft toegelicht.

Verweerder is op deze omstandigheden in het bestreden besluit niet ingegaan. Uit de uitspraak van het College van 15 juni 2015 volgt dat verweerder het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd.

5. Het College is voorts van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bezwaren van appellante kennelijk ongegrond zijn, zodat van horen is afgezien. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het beroep is kennelijk gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Het College kan bij gebreke aan voldoende feitelijke informatie en gelet op de nodige nadere beoordeling door verweerder van de door appellante nog te verstrekken informatie in het licht van de inmiddels in werking getreden regelgeving op grond van de Wvgm, in deze zaak niet tot finale geschilbeslechting overgaan. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient bij het nemen van het nieuwe besluit hetgeen is overwogen in 5.7 en 5.8 van de uitspraak van het College van 15 juni 2016 in acht te nemen. Het College zal voor het nemen van een nieuw besluit een termijn stellen van twaalf weken na verzending van deze uitspraak.

7. Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Beslissing Het College: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van appellante te vergoeden, zijnde € 331,-; veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, in aanwezigheid van mr. X.M. Born, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016. w.g. H.B. van Gijn w.g. X.M. Born Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.