Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2016:145 ECLI:NL:CBB:2016:145 AI generated

ECLI:NL:CBB:2016:145 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2016:145
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/614 18600 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2016 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant, (gemachtigde: mr. S. C. Welschen) en Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster (gemachtigden: mr. M. Vleggeert en mr. L.H.J. Dabekaussen). Procesverloop Bij besluit van 22 december 2014 (het Tariefbesluit) heeft ACM, voor zover van belang, op grond van artikel 5 van de Warmtewet de maximumprijs vastgesteld die een leverancier in 2015 mag berekenen voor levering van warmte.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2016:145 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Op grond van artikel 5 van de Warmtewet stelt ACM per jaar het maximumtarief vast voor de levering van warmte. Artikel 4 van Bijlage 2 bij de Awb bepaalt onder meer dat tegen een op grond van artikel 5 van de Warmtewet, genomen besluit tot vaststelling van een maximumprijs, beroep kan worden ingesteld bij het College. 2.2 Tegen het Tariefbesluit staat, naar het bepaalde in artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, van de Awb, bezwaar open voor een belanghebbende. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb definieert de belanghebbende als "degenen wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken".

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2007:BA2254
Procesverloop Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder het verzoek van [verzoeker] om huishoudelijk afvalwater te mogen lozen met gebruik van een kleinere voorziening dan de voorgeschreven septic tank van zes kubieke meter afgewezen. Bij besluit van 14 juli 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder beslist op het door appellante hiertegen ingediende bezwaarschrift. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 oktober 2006. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn van appellante nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. Karimlou-Kranendonk, ambtenaar bij het waterschap, is verschenen.
ECLI:NL:CBB:2001:AF4801
De procedure Op 3 mei 2001 heeft het College een beroepschrift van appellante ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 maart 2001.
ECLI:NL:CBB:2010:BP0458
Vereniging FME-CWM (hierna: FME), te Zoetermeer, 2.
ECLI:NL:CBB:2014:50
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 11/1119, 11/1123 en 11/1126 18050 Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2014 in de zaken tussen 1.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/614 18600 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2016 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant, (gemachtigde: mr. S. C. Welschen) en Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster (gemachtigden: mr. M. Vleggeert en mr. L.H.J. Dabekaussen). Procesverloop Bij besluit van 22 december 2014 (het Tariefbesluit) heeft ACM, voor zover van belang, op grond van artikel 5 van de Warmtewet de maximumprijs vastgesteld die een leverancier in 2015 mag berekenen voor levering van warmte.

Het daartegen gerichte bezwaar van appellant heeft ACM bij besluit van 5 juli 2015 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belanghebbende zou zijn. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. ACM heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft schriftelijk op het verweerschrift gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Appellant is bijgestaan door zijn gemachtigde en ACM is verschenen bij haar gemachtigden. Overwegingen 1.1 ACM stelt zich op het standpunt dat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zijn belang zich niet in voldoende mate onderscheidt van de belangen van andere afnemers. 1.2 Appellant keert zich tegen deze opvatting van ACM met het betoog, zakelijk, dat de isolerende waarde van zijn woning verschilt van andere woningen, hetgeen een lager vastrecht rechtvaardigt Volgens appellant wordt hij uitgesloten van rechtsbescherming, terwijl het hier gaat om een fundamenteel recht, namelijk het woonrecht. 2.1 Het College overweegt als volgt.

Op grond van artikel 5 van de Warmtewet stelt ACM per jaar het maximumtarief vast voor de levering van warmte. Artikel 4 van Bijlage 2 bij de Awb bepaalt onder meer dat tegen een op grond van artikel 5 van de Warmtewet, genomen besluit tot vaststelling van een maximumprijs, beroep kan worden ingesteld bij het College. 2.2 Tegen het Tariefbesluit staat, naar het bepaalde in artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1, van de Awb, bezwaar open voor een belanghebbende. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb definieert de belanghebbende als "degenen wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken".

Rechtsbescherming in het bestuursrecht staat open voor degene die een individueel belang heeft, dat wil zeggen een bij het besluit betrokken belang, dat voldoende onderscheidend is ten opzichte van de belangen van willekeurige derden. 2.3 De indiener van een bezwaarschrift is steeds belanghebbende bij beslissing op dat bezwaar, ook als dat besluit, zoals hier, inhoudt dat de indiener geen belanghebbende is bij het primaire besluit (ECLI:NL:RVS:2007:BA2254). Het beroep stelt het College daarmee voor de beantwoording van de vraag of ACM terecht heeft aangenomen dat appellant geen belanghebbende is bij het Tariefbesluit. 2.4 Deze vraag beantwoordt het College bevestigend, nu het Tariefbesluit geldt voor alle afnemers van warmte waarop de Warmtewet van toepassing is en het belang waarop appellant zich beroept, niet voldoende kan worden onderscheiden van de belangen van andere afnemers van warmte.

Derhalve kan niet worden aangenomen dat appellant wordt geraakt in een individueel belang. In dit verband verwijst het College naar zijn uitspraken van 21 september 2011 (ECLI:NL:CBB:2001:AF4801), 22 december 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BP0458) en 13 februari 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:50). 2.5 Die rechtspraak sluit (inderdaad, zoals appellant ook aanvoert) soms iemand die door het Tariefbesluit individueel in zijn belang wordt getroffen, uit van rechtsbescherming door de bestuursrechter. Dat betekent echter niet dat appellant verstoken blijft van rechtsbescherming.

Volgens het geldende recht staat voor hem namelijk een vordering uit onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter open.

3. Het beroep slaagt niet.

4. Het College ziet geen aanleiding tot een kostenveroordeling. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. E.R. Eggeraat en mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016. w.g. R.C. Stam w.g. P.M. Beishuizen