Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2015:391 ECLI:NL:CBB:2015:391 AI generated

ECLI:NL:CBB:2015:391 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2015:391
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/738 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 november 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen Blue Water Shipping B.V. (Blue Water Shipping) te Barendrecht en Ekro B.V. (Ekro) te Apeldoorn, verzoeksters (gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk). Procesverloop Bij besluiten van 18 september 2015 (primaire besluiten) heeft verweerder de wederinvoer in de Europese Unie (EU) vanuit Egypte van twee containers met diepgevroren rundvlees zonder been, bestemd voor menselijke consumptie, geweigerd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8:75 van de Awb; ECLI:NL:CBB:2015:391 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: Daarmee zou niet zijn voldaan aan artikel 2 van de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) (Warenwetregeling) waarin is vermeld dat het binnen Nederlands grondgebied brengen van eet- en drinkwaren, afkomstig uit een land dat niet behoort tot de Europese Unie, en het vervolgens verhandelen daarvan, geschiedt met inachtneming van de ter zake bij of krachtens de Richtlijn gestelde bepalingen. Tegen deze besluiten hebben verzoeksters bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 3.3.

Keywords

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht artikel 8:75 van de Awb

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
Gelet hierop worden beide verzoeksters aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 8:75 van de Awb
4.10 Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBROT:2015:6580
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummers: ROT 15/5164 en ROT 15/5165 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen 1.
ECLI:NL:CBB:2009:BK4116
College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 08/720 3 september 2009 11226 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten Uitspraak in de zaak van: Couperie de Poils du Hainaut Lucien Waignier SA, te Bernissart (Blaton), België, appellante, gemachtigde: mr. G.J.J. Lolkema, advocaat te Capelle aan den IJssel, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. A.M. de Jong, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 22 september 2008, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 juli 2008, dat werd verzonden op 12 augustus 2008. Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 maart 2007, waarbij is meegedeeld dat de invoer in de Europese Unie (hierna: EU) vanuit China van een aan appellante toebehorende partij onbewerkte huiden van geiten wordt geweigerd. Bij brief van 19 november 2008 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 19 december 2008 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Op 13 juli 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Tevens zijn verschenen mr. W. Verstrepen, advocaat te Antwerpen en raadsman van appellante, alsmede C. Jaques en J. Jaques, bestuurders van appellante. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. 2. De grondslag van het geschil 2.1 Richtlijn van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (Pb 1998, L 24, blz. 9; hierna: richtlijn 97/78/EG) bepaalt onder meer het volgende: “Artikel 1 De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. Artikel 2 (…) 2. Voorts wordt verstaan onder: a) “producten”: producten van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in de Richtlijnen 89/662/EEG en 90/425/EEG, in Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (…); b) “documentencontrole”: verificatie van de veterinaire certificaten, de veterinaire documenten of van andere documenten die een partij vergezellen; (…) h) “invoer”: het in het vrije verkeer brengen van producten alsmede het voornemen tot het in het vrije verkeer brengen van producten in de zin van artikel 79 van Verordening (EEG) nr. 2913/92; (…) Artikel 3 1. De lidstaten zien erop toe dat er op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden geen partijen uit een derde land worden binnengebracht die niet de bij deze richtlijn voorgeschreven veterinaire controles ondergaan hebben. (…) Artikel 4 (…) 3. Elke partij wordt, ongeacht de douanebestemming, onderworpen aan een documentencontrole, teneinde vast te stellen (…) b) in geval van invoer, of de op de veterinaire certificaten of veterinaire documenten of op andere documenten vermelde gegevens de vereiste garanties bieden. (…) Artikel 15 1. Een lidstaat geeft toestemming voor wederinvoer van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten, indien a) de producten vergezeld gaan van i) het originele certificaat of een gewaarmerkt afschrift van de bevoegde autoriteit die het certificaat heeft afgegeven dat de producten begeleidt, onder vermelding van de redenen van de weigering en van de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten voldaan is en waarop gepreciseerd wordt dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan; ii) in het geval van verzegelde containers, een attest van de vervoerder waarin wordt verklaard dat de inhoud niet bewerkt of uitgeladen werd; b) de betrokken producten een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en, in de in artikel 20 bedoelde gevallen, een materiële controle ondergaan; c) de partij onder de in artikel 8, lid 4, bedoelde voorwaarden rechtstreeks teruggaat naar de inrichting van oorsprong in de lidstaat waar het certificaat is afgegeven en dat, wanneer die terugzending met vervoer door een andere lidstaat gepaard gaat, daartoe namens alle bij deze doorvoer betrokken lidstaten, vooraf toestemming is gegeven door de officiële dierenarts van de grensinspectiepost van de lidstaat waar de partij voor het eerst op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden aankomt. 2. Een lidstaat kan zich niet verzetten tegen het weer binnenbrengen van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten, indien de bevoegde overheid die het originele certificaat heeft afgegeven, heeft ingestemd met de terugname van de partij en er aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldaan is. (…)” De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd) luidt, voorzover hier van belang, als volgt: “Artikel 10 1. Onze Minister kan het brengen in Nederland van dieren, produkten van dierlijke oorsprong, alsmede van andere produkten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, verbieden dan wel verbieden, indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen. 2. De in het eerste lid bedoelde regelen hebben in elk geval betrekking op: a. de eisen waaraan de in het eerste lid bedoelde dieren, produkten of voorwerpen moeten voldoen; b. de eisen waaraan de vervoermiddelen en de verpakkingen moeten voldoen; c. het aanmelden van het voornemen om dieren, produkten of voorwerpen binnen te brengen; d. het in overleg met Onze Minister van Financiën aanwijzen van douanekantoren in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet, waar de dieren, produkten of voorwerpen, die anders dan over de Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, moeten worden aangebracht; e. het aanwijzen van de plaatsen waar dieren, produkten of voorwerpen, die via de Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, ter onderzoek moeten worden aangeboden; f. de verklaringen welke op het douanekantoor, dan wel op een plaats als bedoeld in onderdeel e, moeten worden overgelegd en de eisen waaraan deze verklaringen moeten voldoen en g. het onderzoek na het binnenbrengen in Nederland. Artikel 11 1. Onze Minister kan ten aanzien van in artikel 10, eerste lid, bedoelde, in Nederland gebrachte dieren, produkten en voorwerpen onder meer regelen stellen betreffende: (…) b. met betrekking tot produkten en voorwerpen: 1°. een nader onderzoek; 2°. de bestemming; 3°. het vervoer naar de plaats van onderzoek of de plaats van bestemming dan wel naar de plaats waar de zaken weer buiten Nederland worden gebracht. (…)” De Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten (hierna: Regeling) luidt, voorzover hier van belang, als volgt: “Artikel 3.2.1.1 1. Het is verboden een dierlijk product als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn nr. 97/78/EG dat rechtstreeks afkomstig is uit een derde land in Nederland te brengen. (…) 3. De verboden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn niet van toepassing indien is voldaan aan dit hoofdstuk. Artikel 3.2.2.4 1. De partij producten wordt bij aankomst op de grensinspectiepost ter controle aangeboden aan de keuringsdierenarts. 2. De controle vindt plaats overeenkomstig richtlijn nr. 97/78/EG en verordening (EG) nr. 882/2004 en de krachtens die richtlijn en verordening vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen. Artikel 3.2.3.2 1. Ten aanzien van een partij in Nederland te brengen producten die eerder vanuit het grondgebied van de Europese Unie zijn verzonden naar een derde land en vervolgens door dat land zijn geweigerd, gelden in aanvulling op paragraaf 3.2.2 de volgende voorwaarden: a. de minister heeft toestemming verleend voor het brengen van deze partij in Nederland; b. de partij gaat vergezeld van het originele certificaat, verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de partij was verzonden, dan wel van een door de bevoegde van dat derde land gewaarmerkt afschrift daarvan, met vermelding van: 1°. de redenen van weigering; 2°. de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer is voldaan; 3°. de garantie dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan; 4°. ingeval de partij zich bevindt in een verzegelde container, een verklaring dat de inhoud van de container niet wordt bewerkt of uitgeladen; c. de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de partij was verzonden, heeft ingestemd met terugname van de partij; d. de partij gaat rechtstreeks terug naar de inrichting van oorsprong, via verzegelde en lekvrije voertuigen of containers; e. de uitvoeringsbepalingen, gesteld bij krachtens artikel 15, zesde lid, van richtlijn nr. 97/78/EEG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel. 2. De belanghebbende neemt de partij op eerste vordering van de minister in bezit en handelt overeenkomstig de alsdan getroffen bestuurlijke maatregel. Artikel 5.2 1. De minister kan met betrekking tot een partij producten die niet voldoet aan communautaire en nationale veterinairrechtelijke voorschriften, of waarvan dat wordt vermoed, maatregelen treffen. (…) 4. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, zijn voorts: (…) b. de verplichting tot, in voorkomend geval, herstel van gebreken in het certificaat of het vervoersdocument binnen een door de minister vast te stellen termijn.” 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Appellante - Couperie de Poils du Hainaut Lucien Waignier SA - is een in België gevestigde onderneming die zich onder meer bezighoudt met de handel in en export van ruwe materialen, waaronder huiden van geiten, voor lederen producten. - Aan een onderzoeksrapport, dat in opdracht van de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen in het kader van een door appellante aanhangig gemaakte rechtszaak, met nummer C/07/00067, werd opgesteld door E. Libbrecht, kapitein ter lange omvaart, oud-gezagvoerder en lid van de Nautische Commissie bij voornoemde rechtbank, door evengenoemde voorzitter bij beschikking op 18 april 2007 benoemd als deskundige, wordt het volgende ontleend: “3. Historiek. De SA Couperie de Poils du Hainaut Lucien Waignier had anno 2006 contacten gelegd in China voor de verkoop van een partij diepgevroren geitenhuiden. Door toedoen van de NV E.G.L. - Eagle Global Logistics Belgium - werd de partij, welke gestuwd werd in koelcontainer HJCU 604628.0, geboekt aan boord van het ms “Hanjin Athens” met ETS Antwerpen dd. 21.04.2006 en ETA Xingang dd. 19.05.2006. Door EGL-Ocean Line werd een cognossement “Combined Transport Bill of Lading” no. 71894658 uitgeschreven te Antwerpen op 22.04.2006. Hanjin Shipping schreef op haar beurt een BL op welke hetzelfde cognossementnummer droeg. De container was verzegeld met het zegel DEGE B0010985. De goederen werden vergezeld door een gezondheidscertificaat “Health Certificate” no. 50-1308-06-DLO16 - dd. 16.05.2006 - uitgegeven door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Na aankomst te Xingang verbleef de container bepaalde tijd op de terminal. De initiële overeenkomst tussen koper en verkoper kon omwille van niet-betaling niet worden uitgevoerd. Na tevergeefse pogingen om de goederen in China aan de man te brengen, besloot de SA Couperie de Poils du Hainaut de goederen terug naar België te verschepen. Container HJCU 604628.0 werd in de haven van Xingang aan boord geladen van het ms “Hanjin Lisbon”, reis 0025W, op 19.11.2006. De goederen werden gedekt door cognossement (Sea Waybill) HJSCXNGE0606475 dd. Tianjin 19 november 2006. Dit cognossement vermelde als “consignee” EGL Ocean Line c/o EGL Eagle Global Logistics (Belgium). Als loshaven werd Antwerpen opgegeven en qua locatie van aflevering werd tevens Antwerpen vermeld. Alvorens in China aan boord van het.ms “Hanjin Lisbon” te worden beladen, werd de inhoud van de container door de locale douane gecontroleerd. De container werd hierop van een nieuw zegel voorzien. Dit zegel droeg het nummer S/K899157. Het ms “Hanjin-Lisbon” liep blijkbaar de haven van Antwerpen niet aan. De container werd gelost te Rotterdam op 15.12.2006. De vrijgave van de goederen werd echter geblokkeerd ingevolge een weigeringsbesluit van het Nederlandse Ministerie van Landbouw. Op 3 april 2007 werd een gerechtelijke expertise uitgelokt.” - Bij brief van 12 januari 2007, met als onderwerp “Aanvraag tot wederinvoer van een geweigerde zending”, heeft de directeur-generaal van het bestuur Controle van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) - de Belgische voedsel- en warenautoriteit - aan EGL Eagle Global Logistics NV te Antwerpen het volgende meegedeeld: “Naar aanleiding van uw mail van 21/12/2006, kunnen wij u bevestigen dat de firma Couperie de Poils du Hainaut Waignier sa te Bernissart gemachtigd is de volgende zending weer in te voeren: - 23 paletten (23748 kg bruto) geitenhuiden, verzonden uit België naar China, en vandaar terugkerende. - gegevens verzending: Vervoer terug: boot Gezondheidscerticicaat 50-1308-06-DL016 dd. 16/5/2006 Container heen HJCU6046280 (zegeling B0010985) Container terug HJCU6046280 (zegeling K899157) EX1: 9952-Waignier dd. 10/04/2006 - herkomst: China - bestemming: Couperie de Poils du Hainaut - Lucien Waignier sa - Rue de l’Enfer 6 - 7321 Bernissart (Blaton) - grensinspectiepost: Rotterdam - reden weigering: Weigering klant En dit onder de volgende voorwaarden: - de zending moet volledig zijn én verzegeld, de individuele verpakkingen mogen niet geopend geweest zijn; - documenten van vertrek en terugkeer moeten bij de controle worden voorgelegd; - een certificaat, opgesteld door de bevoegde autoriteiten uit het derde land die de zending hebben geweigerd, in dit geval China, voorleggen aan de controledierenarts in Rotterdam en dat het volgende verklaart: * de identiteit van de zending (aard, hoeveelheid of aantal, containernummer, afzender) * de herkomst (plaats en land van de weigering) en de bestemming (naam, adres en land) * de reden van terugzending * de garantie dat de producten deugdelijk werden opgeslagen, niet werden bewerkt en niet in contact geweest zijn met dieren of producten die geen deel uitmaken van dezelfde zending * zegelnummer Controle: aan de grensinspectiepost van de werderinvoer: Rotterdam, volgens de bepalingen van artikel 15 van de Richtlijn 97/78/EG, i.c. documenten, overeenstemmingscontrole en een Traces melding. Indien de bevoegde autoriteiten van China verpakking(en) hebben geopend in het kader van een staalname tijdens de controle, moet(en) deze verpakking(en) worden gesloten en verzegeld door dezelfde diensten. Volgens de bepalingen van het Ministerieel Besluit van 25 januari 1993, moet de aankomst van de zending 24 uur op voorhand de bevoegde inspecteur verwittigd worden. De administratieve gevolgen aan een wederinvoer verbonden zijn ten laste van de belanghebbende bij de zending, inclusief de kosten eraan verbonden.” - Bij e-mail van 27 februari 2007 heeft W. Verstrepen, advocaat van appellante te België, aan een medewerker van het bestuur Controle van het FAVV onder meer het volgende bericht: “Voor de goede orde zend ik u de beëdigde vertaling van het document met de Chinese karakters, dat klaarblijkelijk afkomstig van de Chinese douaneautoriteiten en dat bevestigt dat de goederen van de container niet met andere goederen van dierlijke oorsprong in contact is gekomen. (…) Mag ik u vriendelijk verzoeken deze informatie verder met uw Nederlandse collega’s van het VWA te bespreken en mij aub te willen berichten of hiermede niet aan alle voorwaarden voldaan werd en op alle vragen geantwoord werd. Zijn er dus verder nog belemmeringen voor de vrije invoer van de kwestieuze container?” - Bovenbedoelde vertaling betreft een vertaling, afgegeven op 27 februari 2007 door drs. Guoli Fu, beëdigd vertaalster Chinees bij de Rechtbank Rotterdam, van een deels in Chinese karakters, deels in het Engels opgesteld document. De tekst van de letterlijke vertaling luidt als volgt: “Verklaring Douanecontrole Nr. 0008667 ------------------------------- De onderstaande in- of uitgevoerde goederen zijn aan douanecontrole onderhevig. Wij verzoeken u vriendelijk, nadat de douane het aangifteformulier aan u heeft verstrekt, binnen een werkdag de goederen gereed te maken voor controle door de douane. Naam van HANJIN ATHENS Nr. ANRE02204903 het schip V.0035E Cognossement Nr. Aangifteformulier voor douane (Transit aangifteformulier voor douane) Naam goederen Nr. Container HJCU6046280 Deze container bevat lang verbleven lading. Aangezien de geadresseerde voor een lange periode de desbetreffende goederen niet heeft kunnen komen afhalen, is deze container door de douane overgebracht naar het particuliere douane-entrepot, dat onder toezicht staat van de douane. Gedurende de periode dat de goederen zich in het bovengenoemde douane-entrepot bevonden, zijn ze niet in aanraking gekomen met enige goederen van dierlijke oorsprong. Aangezien de goederen dienden terug verscheept te worden naar Antwerpen was de douane verplicht de container te openen voor controle. Het verzegelingsnummer is hierdoor veranderd van b0010985 in K899157. Manier van controle Automatische controle Opening container Controlestempel van de douane (de tekst is niet duidelijk genoeg om aan de duiden van welke douane instantie) Handtekening containeropener: (handtekening van diegene die de container opendeed) P.S. Bij het ophalen van het kennisgevingsformulier voor douanecontrole, verzoeke de inspecteur te vragen een handtekening te zetten op het douaneaangifteformulier.” - Een verklaring, gedateerd 26 oktober 2006, van Hanjin Shipping, Tianjin Branch Office, aan EGL Eagle Global Logistics NV vermeldt met betrekking tot het transport van de hier aan de orde zijnde partij bevroren geitenhuiden met het schip Hanjin Athens V.0035E van Antwerpen naar Xingang het volgende: “Because this shipment has not pick up by cnee until now, This container have kept in The supervised depot. The seal keeps original and intact. But when it will be ship back, the Custom ouse has the right to check the cargo and reseal.” - Bij e-mail van 2 maart 2007 heeft een medewerker van het FAVV - DG Controle - Import/Export aan W. Verstrepen het volgende bericht: “In overleg met mijn collega’s, zijn we tot de vaststelling gekomen dat de wederinvoer van de geitenhuiden van Couperie des Poils du Hainaut vastzit op de authenticiteit van de non-manipulatieverklaring. Zoals ook blijkt uit de vertaling van dit document is uit de stempel niet af te leiden om welke douane-instantie het gaat. Kunt u van de Chinese autoriteiten een bijkomende verklaring krijgen dat het document (n° 0008667) door de Chinese douane is afgegeven en ondertekend? Een andere optie is om de goederen direct vanuit Rotterdam naar Nigeria te laten vertrekken. U moet dan wel een verklaring van de autoriteiten van Nigeria hebben dat ze de goederen accepteren en dat ze op de hoogte zijn van de redenen waarom de goederen geweigerd zijn.” - Blijkens een faxbericht van 16 maart 2007 van de Voedsel en Warenautoriteit (hierna: VWA), Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, gericht aan aanbieder Jac. Meisner Internationaal Expeditiebedrijf B.V. (hierna: Meisner) is de hier aan de orde zijnde container van belanghebbende aangehouden. Als reden is vermeld dat de documentcontrole niet conform is. “Het ingediende Non-manipulatie verklaring voldoet niet aan de eis voor de wederinvoer gesteld door de Belgische Autoriteit.” Als bijzonderheid is vermeld dat de documenten niet conform artikel 15, eerste lid, richtlijn 97/78/EG zijn. Voorts is als vereiste gesteld dat de container onmiddellijk aan het keurpunt wordt aangeboden om de goederen te laten weigeren voor wederinvoer in de EU. - Bij faxbericht van 21 maart 2007 heeft de VWA aan Meisner bekendgemaakt voornemens te zijn de invoer in de EU van de partij onbewerkte huiden van geiten te weigeren, omdat gebleken is van een anomalie met betrekking tot de documenten. - Van de gelegenheid om binnen vierentwintig uur haar zienswijze omtrent dit voornemen te geven, heeft appellante bij brief van 22 maart 2007 gebruik gemaakt. - Bij faxbericht van 23 maart 2007 heeft de VWA aanbieder Meisner in kennis gesteld van het besluit de invoer in de EU van de partij onbewerkte huiden van geiten te weigeren, wegens de geconstateerde anomalie met betrekking tot de documenten en gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, richtlijn 97/78/EG. Voorts is meegedeeld dat de gelegenheid bestaat de betreffende partij binnen een termijn van zestig dagen na dagtekening van het besluit naar een derde land uit te voeren en dat na afloop van deze termijn de partij zal worden vernietigd. - Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 3 mei 2007 bezwaar gemaakt. - Op 3 april 2008 is appellante telefonisch omtrent haar bezwaar gehoord, waarna appellante bij e-mail van 7 april 2008, zoals besproken, verweerder omtrent de omvang van de gestelde schade heeft bericht. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van gestelde schade afgewezen. Naar de mening van verweerder is de partij geitenhuiden terecht voor wederinvoer in de EU geweigerd. Daartoe heeft hij het volgende overwogen. Verweerder stelt dat op grond van artikel 15, eerste lid, richtlijn 97/78/EG een lidstaat toestemming geeft voor wederinvoer van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten, indien die producten onder meer vergezeld gaan van een non-manipulatieverklaring. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.2.3.2, eerste lid, aanhef en onder a en b, Regeling, waarin onder meer is opgenomen dat de partij vergezeld gaat van het originele certificaat of een gewaarmerkt afschrift daarvan, met vermelding van de garantie dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan. Voorzover appellante heeft gesteld dat de eisen van de Belgische autoriteit niet aan haar zijn bekendgemaakt, merkt verweerder op dat die eisen overeenkomen met bovengenoemde vereisten uit de richtlijn en de Regeling en derhalve reeds om die reden voldoende kenbaar waren. Daarnaast zijn de vereisten expliciet opgenomen in de brief van het FAVV van 12 januari 2007 aan de vervoerder van appellante, EGL Eagle Global Logistics NV. Het door appellante overgelegde non-manipulatiedocument voldoet naar de mening van verweerder niet aan de vereisten, omdat niet te bepalen is van welke douane-instantie het afkomstig is. Hoewel zowel het FAVV reeds bij e-mail van 2 maart 2007 als de VWA ten tijde van de aanhouding op 16 maart 2007 op dit gebrek hebben gewezen, heeft appellante geen aanvullende verklaring van de Chinese autoriteiten overgelegd. Voorzover appellante, onder verwijzing naar artikel 185 e.v. van het Communautair Douanewetboek en artikel 844 e.v. van Verordening (EEG) nr. 2454/93, heeft gesteld dat artikel 15, eerste lid, richtlijn 97/78/EG niet van toepassing is, omdat geen sprake is van wederinvoer, nu de lading nooit in China is ingevoerd, doch steeds onder controle van de douane van Xingang is gebleven, merkt verweerder op dat genoemde bepalingen betrekking hebben op vrijstellingen van rechten van invoer ten aanzien van communautaire goederen die opnieuw in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht. Deze bepalingen zijn naar de mening van verweerder niet van toepassing op het onderhavige geval. Evenmin staan de bepalingen volgens verweerder eraan in de weg dat goederen die buiten het gebied van de Gemeenschap zijn gebracht en vervolgens opnieuw worden binnengebracht aan de vereisten voor wederinvoer dienen te voldoen. Ook niet wanneer die goederen in het land van waaruit zij zijn wederingevoerd steeds onder controle van de douane zijn gebleven. Voorzover appellante heeft gesteld dat artikel 15, eerste lid, richtlijn 97/78/EG niet van toepassing is, omdat de partij niet door de Chinese autoriteiten is geweigerd, maar op eigen initiatief van appellante is terugvervoerd, merkt verweerder op dat bedoeld artikel van toepassing is op retourpartijen. De hier aan de orde zijnde partij geitenhuiden heeft de EU verlaten, is door de Chinese douane voor controle geopend en van een nieuw zegel voorzien. Wanneer een partij afkomstig uit de EU opnieuw wordt binnengebracht op grondgebied van de EU is sprake van wederinvoer van een retourpartij, aldus verweerder. Bij wederinvoer is volgens verweerder van belang dat de EU wordt gevrijwaard van de insleep van dierziekten. Gelet op de belangen van volksgezondheid en diergezondheid is het in dergelijke gevallen noodzakelijk een non-manipulatieverklaring over te leggen teneinde te garanderen dat de lading geen bewerking heeft ondergaan en bijvoorbeeld niet in aanraking is geweest met andere dierlijke producten. Zodra de partij de EU heeft verlaten, is er immers geen zicht meer op wat er verder met de partij gebeurt. Dat de partij geitenhuiden is terugvervoerd, omdat de geadresseerde de goederen niet heeft opgehaald, maakt dit naar de mening van verweerder niet anders. Bepalend is volgens verweerder dat het een retourpartij betreft die afkomstig is van buiten de EU en niet de reden waarom de partij is teruggezonden. Ten slotte merkt verweerder op dat indien niet was getoetst aan de voorwaarden uit de richtlijn en de Regeling ten aanzien van wederinvoer, er zou zijn getoetst aan de voorwaarden voor normale invoer. Immers, het kan, gelet op genoemde belangen van gezondheid, niet zo zijn dat een partij die buiten de EU is geweest, bij binnenkomst in de EU geheel geen documentencontrole ondergaat. Bij normale invoer had, aldus verweerder, een origineel veterinair certificaat afkomstig van de Chinese autoriteit bij de partij aanwezig moeten zijn. Naar de mening van verweerder betreft dit een zwaardere toets, waaraan moeilijker kan worden voldaan. 4. Het standpunt van appellante 4.1 Appellante stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat de container met bevroren geitenhuiden is wederingevoerd in de EU, zodat hij ten onrechte aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, richtlijn 97/78/EG toepassing heeft gegeven. Volgens appellante is de container door onvoorziene omstandigheden onvrijwillig teruggekeerd naar de EU en uiteindelijk in de haven van Rotterdam aangekomen. Doordat de Chinese kandidaat-koper/invoerder niet kon betalen, is de container nimmer in China of een ander land ingevoerd. Op verzoek van appellante heeft zij TGL Talon Global Logistics (voorheen EGL) opdracht gegeven de container naar Antwerpen te verzenden. Van weigering van de container door de Chinese autoriteiten was geen sprake. Appellante wijst op de preambule van richtlijn 97/78/EG, waarin onder punt 13 het volgende is overwogen: “Overwegende dat producten van de Gemeenschap die door een derde land worden geweigerd en naar de Gemeenschap worden teruggezonden, worden geacht niet langer aan de communautaire voorschriften te voldoen; dat bijgevolg ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid strenge regels dienaangaande moeten worden vastgesteld”. Tevens wijst appellante erop dat artikel 3.2.3.2, eerste lid, Regeling spreekt van “producten die eerder vanuit het grondgebied van de Europese Unie zijn verzonden naar een derde land en vervolgens door dat land zijn geweigerd”. Volgens appellante blijkt uit het bovenstaande dat terugzending als bedoeld in richtlijn 97/78/EG enkel gebeurt door weigering van een derde land. Indien goederen, zoals in het onderhavige geval, niet door een derde land worden teruggezonden, doch enkel terugkeren omdat de partij door omstandigheden buiten de wil van de exporteur niet in een derde land konden worden ingevoerd, mist de richtlijn - alsook de Regeling - iedere toepassing. Voorwaarde voor toepassing van deze regelgeving is immers, aldus appellante, weigering van de goederen door een derde land. Aan deze kwalificatie is niet voldaan. Indien en voorzover het College in onderhavige kwestie geen eenduidigheid kan geven over de juiste interpretatie van de van toepassing zijnde Europese regelgeving, waarop de weigering van de partij geitenhuiden is gebaseerd, verzoekt appellante het College de procedure te schorsen en prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. 4.2 Indien en voorzover het College van oordeel mocht zijn dat verweerder het bestreden besluit op de juiste regelgeving heeft gestoeld, stelt appellante zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de overgelegde documenten niet conform de daarvoor geldende regelgeving zijn. Appellante stelt dat alle vereiste vervoers- en douanedocumenten vanuit België de gehele reis bij de container aanwezig zijn geweest. Deze documenten zijn later aangevuld met een non-manipulatieverklaring, welke de Chinese autoriteiten hebben afgegeven nadat de container voorafgaand aan de belading aan boord van het schip naar Antwerpen was gecontroleerd. Voorts is een verklaring van de zeervervoerder overgelegd. Volgens appellante blijkt uit de non-manipulatieverklaring duidelijk en onomstotelijk dat de container met bevroren geitenhuiden gedurende het gehele verblijf bij de zeevervoerder is gebleven en dat het zodoende nimmer in China is ingevoerd en in het vrije verkeer is gebracht. Tevens blijkt uit die verklaring dat van enige bewerking of uitlading van de partij geitenhuiden geen sprake is geweest. Appellante stelt dat zowel het FAVV, dat bij brief van 12 januari 2007 heeft bevestigd dat de container met geitenhuiden onder bepaalde voorwaarden mocht worden wederingevoerd, als de VWA volledig aan de inhoud van de non-manipulatieverklaring voorbij zijn gegaan. Bovendien hebben beide instanties nagelaten de zeevervoerder nader te informeren en/of te interpelleren omtrent de container en nagelaten bij gelegenheid een bijkomend deugdelijk document van de zeevervoerder te eisen, zoals wordt voorzien in artikel 3, derde lid, richtlijn 97/78/EG. Appellante wijst er voorts op dat in de instructie “Retourpartijen” van de VWA van 9 november 2006, met referte AL05234, onder paragraaf 4.1 “Partij retour via Nederlandse BIP bij het punt “D-controle” het volgende is opgenomen: “In het geval van verzegelde containers kan in plaats van laatstgenoemde garantie een attest van de vervoerder dienen, waarin deze verklaart dat de inhoud niet bewerkt of uitgeladen werd.” Een dergelijk document was in het onderhavige geval wel aanwezig, aldus appellante. Naar de mening van appellante blijkt uit de motivering van het voornemen tot weigering van invoer van de partij in de EU dat de VWA geen enkel bezwaar had om de container vrij te geven en dat zij zich bij haar beslissing heeft laten leiden door de houding en het verzet van het FAVV. Appellante stelt dat uit de op 20 maart 2007 uitgevoerde keuring van de partij geitenhuiden niet is gebleken van enige behandeling van de partij, verandering van de staat ervan of van overige handelingen die de veterinaire gezondheid in gevaar zou kunnen brengen. Volgens appellante heeft de VWA dit ook erkend, mede doordat zij haar voornemen tot weigering niet heeft gebaseerd op non-conformiteit aan regels inzake de voedsel- en diergezondheid. Appellante stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. De partij geitenhuiden is voor invoer in de EU geweigerd zonder dat zelfstandig onderzoek is verricht naar de aanwezige documenten, zoals bepaald in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder a, sub i) en onder b, richtlijn 97/78/EG. Verweerder is tekortgeschoten in zijn verplichting een zorgvuldige afweging te maken. Alvorens het besluit te nemen, hadden alle relevante feiten en omstandigheden in acht moeten worden genomen. Niet alleen is verweerder volledig voorbij gegaan aan de verklaring van de zeevervoerder omtrent de partij geitenhuiden, maar ook heeft hij nagelaten de zeevervoerder nadere vragen te stellen. Verzuimd is aan te geven waarom het document niet zou voldoen aan de eisen van het FAVV, voorzover dat al relevant zou zijn. Appellant is van mening dat verweerder nader onderzoek had moeten doen naar de documenten behorende en aanwezig bij de partij geitenhuiden. Bij twijfel over de deugdelijkheid van de aangeboden documenten heeft de VWA, althans verweerder, een zelfstandige plicht nader onderzoek te doen. De VWA is echter afgegaan op hetgeen het FAVV omtrent de documenten heeft gesteld. Ter zitting van het College heeft appellante gesteld dat zij de Chinese autoriteiten heeft verzocht de authenticiteit van de non-manipulatieverklaring te bevestigen, maar dat zij hebben aangegeven alleen op een officieel verzoek van de Nederlandse of Belgische autoriteiten te willen reageren. Zowel de VWA als het FAVV hebben aangegeven dat het aan appellante is de gevraagde informatie te verkrijgen. Appellante stelt dat zij door het besluit tot weigering van invoer van de partij geitenhuiden in de EU schade heeft geleden. Als gevolg van die beslissing was zij niet in de gelegenheid de staat van de partij te achterhalen noch de waarde daarvan vast te stellen. Noodgedwongen heeft zij de lading voor een aanzienlijk lagere verkoopprijs aan een derde moeten verkopen. Voorts zag zij zich geconfronteerd met hoog oplopende opslag- en demurragekosten. Tevens heeft appellante zich genoodzaakt gezien in België een gerechtsdeskundige aan te (laten) stellen. Volgens appellante kan de schade worden opgemaakt conform de schadebegroting van de Belgische gerechtsdeskundige in deel II van het door hem uitgebrachte deskundigenverslag. 5. De beoordeling van het geschil 5.1 Ter beoordeling van het College staat de vraag of verweerder het besluit, waarbij hij de wederinvoer in de EU van een aan belanghebbende toebehorende partij diepgevroren geitenhuiden heeft geweigerd, terecht heeft gehandhaafd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. 5.2 Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder aan de hier aan de orde zijnde weigering ten grondslag gelegd artikel 3.2.3.2, eerste lid, Regeling, welke regeling ter uitvoering strekt van richtlijn 97/78/EG. Dit artikel voorziet - overeenkomstig artikel 15 richtlijn 97/78/EG - in voorschriften voor een specifieke situatie, te weten indien sprake is van in Nederland te brengen producten die eerder zijn uitgevoerd uit de EU en zijn verzonden naar een derde land en vervolgens door dat land zijn geweigerd. In dat geval wordt - blijkens het onderwerp van de betreffende paragraaf van de Regeling - van wederinvoer van producten gesproken. Naar verweerder heeft gesteld, is, in vergelijking met het invoeren van dierlijke producten die rechtstreeks afkomstig zijn uit een land dat niet tot de EU behoort, op het wederinvoeren van producten een enigszins lichter regime van toepassing, mits aan de in artikel 3.2.3.2, eerste lid, Regeling gestelde voorwaarden wordt voldaan. Zo dient de in Nederland te brengen partij vergezeld te gaan van een door de bevoegde autoriteit van het derde land gewaarmerkt afschrift van het originele certificaat met vermelding van, onder meer, de reden van weigering en de garantie dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan. 5.3 Het College is niet gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van in Nederland te brengen producten die door een derde land zijn geweigerd als bedoeld in artikel 3.2.3.2, eerste lid, Regeling. Naar appellante onweersproken heeft gesteld, is van de betreffende uit België afkomstige partij diepgevroren geitenhuiden nimmer aangifte ten invoer in China gedaan. Dat bij de Chinese autoriteiten geen aangifte ten invoer van de producten is gedaan, betekent naar het oordeel van het College dat van een weigering door die autoriteiten geen sprake kan zijn. 5.4 Voorts onderschrijft het College niet de opvatting van verweerder dat in het kader van de vraag naar de toepasselijkheid van de in artikel 3.2.3.2, eerste lid, Regeling neergelegde voorschriften het begrip ‘weigeren’ ruim dient te worden uitgelegd, in die zin dat daaronder tevens een weigering om handelstechnische redenen dient te worden begrepen. Bedoeld artikel spreekt uitdrukkelijk over weigering van producten dóór een derde land, hetgeen ontwijfelbaar een beslissing vereist, die is genomen door de bevoegde autoriteiten van dat derde land. Daarvan is, zoals in het voorgaande reeds is overwogen, niet gebleken. Aan de omstandigheid dat appellante de container met geitenhuiden naar de EU retour heeft laten verschepen, omdat haar klant van de levering van de partij heeft moeten afzien, kan derhalve niet de betekenis worden toegekend die verweerder daaraan, blijkens hetgeen hij ter zitting heeft gesteld, gehecht wenst te zien. 5.5 Het vorenstaande leidt het College tot het oordeel dat, aangezien niet is gebleken van een weigering door een derde land als bedoeld in artikel 3.2.3.2, eerste lid, Regeling, het bestreden besluit een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert. Mitsdien is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. 5.6 Het College ziet geen aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Dienaangaande overweegt het College het volgende. 5.7 Het College ziet geen aanknopingspunten voor het aan de weigering van de invoer in de EU van de betrokken partij geitenhuiden ten grondslag leggen van de in hoofdstuk 3.2 van de Regeling neergelegde voorschriften voor - in de woorden van verweerder - normale invoer. Vaststaat dat de betrokken producten van appellante uit de EU afkomstig zijn en niet gebleken is dat deze producten in een derde land zijn ingevoerd. Aangezien artikel 3.2.1.1 Regeling bepaalt dat de in hoofdstuk 3.2 van de Regeling neergelegde voorschriften - waaronder de wijze waarop ingevolge artikel 3.2.2.4 de controle dient plaats te vinden - betrekking hebben op rechtstreeks uit een derde land afkomstige dierlijke producten, en niet is gebleken dat onderhavige producten een zodanige herkomst hebben, zijn genoemde voorschriften derhalve evenmin in dit geval van toepassing. 5.8 Het vorenoverwogene betekent dat verweerder opnieuw op het bezwaar van appellante zal moeten beslissen. Gelet hierop komt het College niet toe aan beoordeling van het verzoek van appellante om vergoeding van de door haar gestelde schade. Op dit verzoek zal verweerder, zonodig, eveneens in bezwaar moeten beslissen. Voorts zal verweerder, nu hij hierover ter zitting van het College geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen, in het kader van de te nemen beslissing op bezwaar aandacht moeten besteden aan de vraag waarom reeds de onleesbaarheid van het daarop geplaatste stempel maakt dat de authenticiteit van de door appellante overgelegde non-manipulatieverklaring niet vaststaat. 5.9 Het College acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, gelezen in samenhang met artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante, zijnde de kosten van aan haar in verband met de behandeling van haar beroep verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,- per punt. 6. De beslissing Het College - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 15 juli 2008; - draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen; - veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro); - bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 288,-- (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt. Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. F. Stuurop en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2009. w.g. E.R. Eggeraat w.g. C.G.M. van Ede
ECLI:NL:CBB:2014:339
College van Beroep voor het bedrijfsleven 13/768 15 september 2014 17014 Uitspraak op het hoger beroep van: de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (hierna ook: NVWA), appellante, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 3 september 2013, met kenmerk 13/4906 en 13/4905, in het geding tussen appellante en Bayshore SA (hierna: Bayshore), te Oberwil (Zwitserland). Gemachtigde van NVWA: mr. J.W.R. Markhorst, werkzaam bij de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van NVWA. Gemachtigde van Bayshore: mr. R. Andringa, advocaat te Rotterdam.
ECLI:NL:HR:2015:1666
Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer Nr.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 15/738 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 november 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen Blue Water Shipping B.V. (Blue Water Shipping) te Barendrecht en Ekro B.V. (Ekro) te Apeldoorn, verzoeksters (gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma), en de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk). Procesverloop Bij besluiten van 18 september 2015 (primaire besluiten) heeft verweerder de wederinvoer in de Europese Unie (EU) vanuit Egypte van twee containers met diepgevroren rundvlees zonder been, bestemd voor menselijke consumptie, geweigerd.

Verzoeksters hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft, desgevraagd, twee maal een schriftelijke reactie op dat verzoek gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2015. De gemachtigden van partijen zijn verschenen. Verder zijn namens verzoeksters nog verschenen P.J. Beltman, werkzaam bij Ekro, en T. Jonker. Namens verweerder is verder nog verschenen drs. R. van Rooij, inspecteur en dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Overwegingen 1.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 1.2. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van de primaire besluiten, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure. 1.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide verzoeksters ontvankelijk zijn in hun verzoek. Blue Water Shipping die, als douane-expediteur, in opdracht van Ekro, handelingen heeft verricht ten behoeve van de terugkomst en het - ter menselijke consumptie - in het vrije verkeer brengen van de in geding zijnde partijen, ontleent zijn belang bij de primaire besluiten aan het feit dat die besluiten tot haar zijn gericht. Ekro, aan wie de besluiten niet zijn geadresseerd, heeft als importeur van de in de besluiten vermelde partijen een eigen belang dat rechtstreeks bij die besluiten is betrokken.

Beide verzoeksters worden immers op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de gemeenschap worden binnengebracht (de Richtlijn) als ‘belanghebbende bij de lading’ aangemerkt voor wiens rekening ingevolge artikel 17, vijfde lid, van de Richtlijn en artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten (Regeling), de uit de primaire besluiten voortvloeiende kosten van opslag en eventuele terugzending of vernietiging van de partijen komen.

Gelet hierop worden beide verzoeksters aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1.4. De primaire besluiten betreffen het opnieuw weigeren van de door verzoeksters gewenste invoer in de EU van partijen rundvlees. De eerdere weigeringsbesluiten zijn door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (voorzieningenrechter van de rechtbank) bij uitspraak van 14 september 2015 voor bepaalde tijd geschorst. Deze besluiten zijn vervolgens ingetrokken en vervangen door de primaire besluiten. Mede geplaatst tegen de achtergrond van deze procedurele gang van zaken, die hierna onder 3.2 tot en met 3.5 uitgebreider zal worden weergegeven, in samenhang bezien met het gegeven dat de waarde van deze partijen rundvlees door tijdsverloop in waarde afneemt, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van verzoeksters geen sprake van zodanig geringe gevolgen van de primaire besluiten dat de verzoeken om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisendheid reeds op voorhand niet voor een inhoudelijke beoordeling in aanmerking komen.

2. In dit geding is de volgende wet- en regelgeving van belang. Richtlijn 97/78 Artikel 1 van de Richtlijn 1. De lidstaten verrichten de veterinaire controles voor producten uit derde landen die op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden worden binnengebracht, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn en in Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (..) Artikel 2 van de Richtlijn (…) 2.

Voorts wordt verstaan onder: (…) b) „documentencontrole”: verificatie van de veterinaire certificaten, de veterinaire documenten of van andere documenten die een partij vergezellen; c) „overeenstemmingscontrole”: verificatie door een visuele controle van de overeenstemming tussen de veterinaire certificaten, de veterinaire documenten of andere bij de veterinaire wetgeving voorgeschreven documenten en de producten; (…) j) „invoervoorwaarden”: de in de communautaire wetgeving vastgestelde veterinaire voorschriften waaraan in te voeren producten moeten voldoen; (…) Artikel 3 van de Richtlijn 1.

De lidstaten zien erop toe dat er op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden geen partijen uit een derde land worden binnengebracht die niet de bij deze richtlijn voorgeschreven veterinaire controles ondergaan hebben. (..) Artikel 4 van de Richtlijn (…) 4. Met uitzondering van de in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde specifieke gevallen, verricht de officiële dierenarts:

a) een overeenstemmingscontrole van iedere partij om zich ervan te vergewissen dat de producten in overeenstemming zijn met de gegevens die zijn vermeld in de certificaten of documenten waarvan de partij vergezeld gaat. Behalve in de gevallen van (…) omvat deze controle:

i) wanneer de producten van dierlijke oorsprong in containers aankomen, controle of de verzegeling die de officiële dierenarts (of de bevoegde autoriteit) heeft aangebracht, indien de communautaire wetgeving zulks voorschrijft, intact is en of de daarop vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens op het begeleidend document of certificaat; ii) in de overige gevallen: - voor alle soorten producten, controle op de aanwezigheid van de officiële stempels of merktekens of keuringsmerktekens voor identificatie van het land en de inrichting van oorsprong en op de overeenstemming van een en ander met de stempels en merktekens op het certificaat of document;(…) Artikel 15 van de Richtlijn 1.

Een lidstaat geeft toestemming voor wederinvoer van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten, indien a) de producten vergezeld gaan van i) het originele certificaat of een gewaarmerkt afschrift van de bevoegde autoriteit die het certificaat heeft afgegeven dat de producten begeleidt, onder vermelding van de redenen van de weigering en van de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer van de producten voldaan is en waarop gepreciseerd wordt dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan; ii) in het geval van verzegelde containers, een attest van de vervoerder waarin wordt verklaard dat de inhoud niet bewerkt of uitgeladen werd;

b) de betrokken producten een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en, in de in artikel 20 bedoelde gevallen, een materiële controle ondergaan;

c) de partij onder de in artikel 8, lid 4, bedoelde voorwaarden rechtstreeks teruggaat naar de inrichting van oorsprong in de lidstaat waar het certificaat is afgegeven en dat, wanneer die terugzending met vervoer door een andere lidstaat gepaard gaat, daartoe namens alle bij deze doorvoer betrokken lidstaten, vooraf toestemming is gegeven door de officiële dierenarts van de grensinspectiepost van de lidstaat waar de partij voor het eerst op een van de in bijlage I vermelde grondgebieden aankomt. (..) Artikel 17 van de Richtlijn (…) 2. Wanneer de veterinaire autoriteit aan de hand van de in deze richtlijn bedoelde controles vaststelt, dat het product niet aan de invoervoorwaarden voldoet of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger:

a) ofwel het product vanuit dezelfde grensinspectiepost binnen een termijn van ten hoogste 60 dagen met hetzelfde vervoermiddel terug te zenden naar een met de belanghebbende bij de lading overeengekomen plaats buiten de in bijlage I vermelde grondgebieden, voorzover hiertegen geen bezwaren bestaan in verband met de resultaten van de veterinaire keuring en de gezondheidsvoorschriften of de veterinairrechtelijke voorschriften. (…) b) ofwel het product te vernietigen in de daarvoor bestemde inrichting zoals bedoeld in Richtlijn 90/667/EEG van de Raad van 27 november 1990 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen, voor het in de handel brengen van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) die het dichtst bij de grensinspectiepost gelegen is, indien terugzending onmogelijk is of de onder a) bedoelde termijn van 60 dagen verstreken is, of indien de belanghebbende bij de lading daar onmiddellijk mee instemt.

In afwachting van de terugzending van de in dit punt bedoelde producten of van de bevestiging van de motieven voor de afwijzing, worden de betrokken producten onder toezicht van de bevoegde autoriteit op kosten van de belanghebbende bij de lading opgeslagen door de bevoegde autoriteiten. (…) BIJLAGE I van de Richtlijn: De in artikel 1 bedoelde grondgebieden (..) 19. Het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa. (..) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) Artikel 10 van de GWWD 1.Onze Minister kan het brengen in Nederland van dieren, produkten van dierlijke oorsprong, alsmede van andere produkten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn, verbieden dan wel verbieden, indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regelen. 2.De in het eerste lid bedoelde regelen hebben in elk geval betrekking op: a.de eisen waaraan de in het eerste lid bedoelde dieren, produkten of voorwerpen moeten voldoen; b.de eisen waaraan de vervoermiddelen en de verpakkingen moeten voldoen; c. het aanmelden van het voornemen om dieren, produkten of voorwerpen binnen te brengen; d. het in overleg met Onze Minister van Financiën aanwijzen van douanekantoren in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, waar de dieren, produkten of voorwerpen, die anders dan over de Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, moeten worden aangebracht; e. het aanwijzen van de plaatsen waar dieren, produkten of voorwerpen, die via de Belgisch-Nederlandse of de Duits-Nederlandse grens worden binnengebracht, ter onderzoek moeten worden aangeboden; f.de verklaringen welke op het douanekantoor, dan wel op een plaats als bedoeld in onderdeel e, moeten worden overgelegd en de eisen waaraan deze verklaringen moeten voldoen en g. het onderzoek na het binnenbrengen in Nederland.

Artikel 11 van de GWWD 1.Onze Minister kan ten aanzien van in artikel 10, eerste lid, bedoelde, in Nederland gebrachte dieren, produkten en voorwerpen onder meer regelen stellen betreffende: (…) b. met betrekking tot produkten en voorwerpen: 1°.een nader onderzoek; 2°.de bestemming; 3°.het vervoer naar de plaats van onderzoek of de plaats van bestemming dan wel naar de plaats waar de zaken weer buiten Nederland worden gebracht. (…) Artikel 97 van de GWWD 1. In verband met door landen van bestemming gestelde eisen op veterinair gebied kan degene die dieren en produkten van dierlijke oorsprong anders dan in doorvoer buiten Nederland wil brengen, verzoeken een onderzoek van Rijkswege in te stellen, alsmede merken aan te brengen of bewijsstukken af te geven, ten bewijze dat voldaan is aan door die andere landen gestelde eisen. (..) De Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten (Regeling) Aanhef: (..) Gelet op: (..) - richtlijn nr. 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 24); (..) Gelet op de artikelen 10 en 11 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, (..) Besluit: (..) Artikel 3.2.1.1 van de Regeling 1.Het is verboden een dierlijk product als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn nr. richtlijn 97/78/EG78/EG dat rechtstreeks afkomstig is uit een derde land in Nederland te brengen. (…) 3.De verboden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn niet van toepassing indien is voldaan aan dit hoofdstuk.

Artikel 3.2.2.4 van de Regeling 1.De partij producten wordt bij aankomst op de grensinspectiepost ter controle aangeboden aan de keuringsdierenarts. 2.De controle vindt plaats overeenkomstig richtlijn nr. richtlijn 97/78/EG en verordening (EG) nr. 882/2004 en de krachtens die richtlijn en verordening vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregelen. Artikel 3.2.3.2 van de Regeling 1. Ten aanzien van een partij in Nederland te brengen producten die eerder vanuit het grondgebied van de Europese Unie zijn verzonden naar een derde land en vervolgens door het derde land zijn geweigerd, gelden in aanvulling op paragraaf 3.2.2 de volgende voorwaarden: a. de minister heeft toestemming verleend voor het brengen van deze partij in Nederland; b. de partij gaat vergezeld van het originele certificaat, verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de partij was verzonden, dan wel van een door de bevoegde van dat derde land gewaarmerkt afschrift daarvan, met vermelding van: 1°. de redenen van weigering; 2°. de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer is voldaan; 3°. de garantie dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan; 4°. ingeval de partij zich bevindt in een verzegelde container, een verklaring dat de inhoud van de container niet wordt bewerkt of uitgeladen; c. de bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de partij was verzonden, heeft ingestemd met terugname van de partij; d. de partij gaat rechtstreeks terug naar de inrichting van oorsprong, via verzegelde en lekvrije voertuigen of containers; e. de uitvoeringsbepalingen, gesteld bij krachtens artikel 15, zesde lid, van richtlijn nr. 97/78/EEG vastgestelde communautaire uitvoeringsmaatregel.

2. Onder weigering door het derde land als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan het weigeren of niet afnemen van een partij door een afnemer in het derde land. (..) 3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende, in dit geding van belang zijnde, feiten en omstandigheden. 3.1. Ekro heeft partijen diepgevroren rundvlees, kalfsvlees, zonder been, bestemd voor menselijke consumptie en voor vervoer geladen in twee containers (partijen rundvlees), verkocht aan een afnemer in Caïro, Egypte. Een officiële dierenarts van de NVWA heeft op 7 oktober 2014, respectievelijk 17 november 2014, per container voor de partijen een (veterinair) gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 79 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) afgegeven, voor de uitvoer van deze partijen naar Egypte.

De containers zijn op verschillende data per schip vervoerd van Rotterdam naar Alexandrië, Egypte, waar zij op 27 oktober 2014, respectievelijk 9 december 2014 zijn aangekomen. De partijen rundvlees zijn in Egypte niet bij de daartoe bevoegde autoriteiten ten invoer aangegeven. De containers zijn in Alexandrië opgeslagen in de Alexandria International Container Terminals (Terminal). De koper heeft de partijen rundvlees wegens door hem gestelde financiële problemen niet afgenomen. De partijen rundvlees zijn op 1 mei 2015, respectievelijk 26 mei 2015, terug verscheept naar Rotterdam.

De bij vertrek uit Nederland aangebrachte zegels van de containers zijn voor vertrek vanuit Egypte verbroken en vervangen door andere zegels. Ten behoeve van de terugkomst en de invoer van de partijen rundvlees in de EU is door Blue Water Shipping een pre-arrival aangifte alsmede het Gemeenschappelijk Veterinair Document van Binnenkomst (GDB) ingediend en het verzoek gedaan om - in de bewoordingen van verzoeksters - de goederen na controle veterinair vrij te geven. 3.2. Met twee (thans niet in geding zijnde) besluiten van 17 augustus 2015 heeft de NVWA de partijen rundvlees voor wederinvoer in de EU geweigerd omdat niet zou zijn voldaan aan de in artikel 15 van de Richtlijn vermelde voorwaarden voor wederinvoer van een door een derde land geweigerde partij uit de Gemeenschap afkomstige producten, daarin bestaande dat er niet een non-manipulatieverklaring van een bevoegde autoriteit zou zijn ingediend.

Daarmee zou niet zijn voldaan aan artikel 2 van de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) (Warenwetregeling) waarin is vermeld dat het binnen Nederlands grondgebied brengen van eet- en drinkwaren, afkomstig uit een land dat niet behoort tot de Europese Unie, en het vervolgens verhandelen daarvan, geschiedt met inachtneming van de ter zake bij of krachtens de Richtlijn gestelde bepalingen. Tegen deze besluiten hebben verzoeksters bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 3.3.

Die voorzieningenrechter heeft in een uitspraak van 14 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6580, overwogen dat geen sprake is van wederinvoer van partijen producten die door Egypte zouden zijn geweigerd. De twee containers zijn immers slechts teruggekomen omdat de afnemer de goederen niet kon betalen. Van aangifte bij de Egyptische autoriteiten is geen sprake geweest. Onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 3 september 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BK4116, is naar het oordeel van die voorzieningenrechter onder die omstandigheid geen sprake van een weigering in de zin van artikel 15 van de Richtlijn.

Nu vaststaat dat het betrokken product uit de EU afkomstig is en niet gebleken is dat het in een derde land is ingevoerd, is artikel 15 van de Richtlijn niet van toepassing. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft vervolgens, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, de voorlopige voorziening getroffen dat de besluiten van 17 augustus 2015 worden geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het tegen die besluiten gerichte bezwaar van verzoeksters. 3.4. De NVWA heeft vervolgens geen medewerking verleend aan de uitvoering van die uitspraak, omdat de NVWA de onder 3.2 vermelde besluiten van 17 augustus 2015 heeft ingetrokken en nieuwe besluiten heeft aangekondigd.

Aan de intrekking is het volgende ten grondslag gelegd: “Aangezien het hier gaat om een partij kalfsvlees waarvoor op grond van artikel 79 van de GWWD een gezondheidscertificaat is afgegeven voor de export naar Egypte en weer terugkomt op ditzelfde gezondheidscertificaat is de grondslag voor het terugkomen van de partij gelegen in de Regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten en niet de Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen).” 3.5. Vervolgens heeft de NVWA, maar nu namens verweerder, met de twee thans in geding zijnde primaire besluiten, die elk betrekking hebben op één container met partijen rundvlees, de wederinvoer in de Europese Unie (hierna:

EU) van de partijen opnieuw geweigerd. Verder is bepaald dat de besluiten in de plaats treden van de eerdere besluiten van 17 augustus 2015 en met terugwerkende kracht vanaf die datum in werking treden. Daartoe is het volgende overwogen. “Het betreft hier een partij vlees waarvoor op grond van artikel 79 van de GWWD een gezondheidscertificaat is afgegeven voor de export naar Egypte. Deze partij komt weer terug op het zelfde gezondheidscertificaat waardoor er sprake is van wederinvoer als bedoeld in artikel 15 van de richtlijn 97/78 in samenhang met de regeling veterinairrechtelijke voorschriften handel dierlijke producten.

Omdat niet aan de eisen van wederinvoer wordt voldaan wordt de partij geweigerd.” In één van de besluiten is verder nog vermeld: “Er is geen non-manipulatie-verklaring van een bevoegde autoriteit ingediend.” Het gaat om de volgende partijen: container GDB aantal certificaat netto nummer nummer colli nummer gewicht besluit 1 MNBU3085221 15048391 1282 96643705 19361 besluit 2 PONU4887100 15048392 1289 97697718 20321 3.6.1. Verzoeksters hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter op de hierna weer te geven gronden verzocht om de volgende voorlopige voorziening te treffen: - Primair te oordelen dat verweerder ten onrechte en op onjuiste gronden oordeelt dat de goederen niet kunnen worden (weder)ingevoerd omdat geen non-manipulatie verklaring zou zijn ingediend en de besluiten te schorsen, althans verweerder te gebieden de goederen toe te staan voor invoer in de EU; - Subsidiair te oordelen dat de GWWD en de Regeling niet van toepassing zijn; - Meer subsidiair om te bepalen dat verweerder binnen één week na de uitspraak, althans binnen een vast te stellen termijn, een beslissing op bezwaar moet nemen en te bepalen dat verweerder hangende de bezwaar- c.q. de beroepsprocedure geen maatregelen ten uitvoer zal laten leggen of afdwingen ter vernietiging van de goederen; - Die voorziening te treffen die het College juist acht; - Met veroordeling van verweerder in de integrale proceskosten en de griffierechten. 3.6.2.

Verzoeksters hebben, zakelijk samengevat, het volgende aangevoerd. De primaire besluiten berusten op een onjuiste wettelijke grondslag. De GWWD is niet van toepassing omdat deze wet betrekking heeft op de, hier niet aan de orde zijnde, gezondheid van dieren. Artikel 15 van de Richtlijn is evenmin van toepassing. Daardoor mist de implementatie van artikel 15 van de Richtlijn in artikel 3.2.3.2. van de Regeling ook toepassing. Het tweede lid van dit artikel is bovendien aan de Regeling toegevoegd na de uitspraak van het College van 3 september 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BK4116, omdat deze uitspraak verweerder kennelijk onwelgevallig was.

Met de bepaling zoals die nu luidt wordt het weigeren of niet afnemen van een partij door een afnemer in het derde land alsnog onder de werking van artikel 15 van de Richtlijn gebracht. Het moge zo zijn dat wederinvoer een lichter regiem introduceert dan invoer, maar dat baat verzoeksters niet omdat er toch nog een non-manipulatieverklaring moet worden overgelegd. Dat is echter niet terecht. Er is bovendien een non-manipulatieverklaring overgelegd van de Terminal manager in Alexandrië. Zelfs als die niet toereikend zou zijn, is er geen reden de partijen te weigeren.

Vastgesteld kan immers worden dat er aan de partijen geen enkel risico kleeft. Als deze partijen niet binnen de EU worden toegelaten moeten ze worden vernietigd. Deze gevolgen zijn disproportioneel gelet op de met de uitvoering van de regelgeving te dienen doelen. 3.6.3. Dat er, zoals verweerder heeft gesteld, een reële kans op manipulatie van de partijen bestaat is volgens verzoeksters onjuist en vindt geen steun in de gedingstukken. De containers bevatten dezelfde partijen goederen die door de NVWA ten tijde van de uitvoer zijn gekeurd, goed bevonden en gecertificeerd.

Dit blijkt uit een vergelijking van de met betrekking tot de partijen beschikbare documenten te weten; de primaire besluiten, de door verweerder voor de uitvoer verstrekte (veterinaire)gezondheidscertificaten, de uitgaande bills of lading, de inkomende waybills, en uit de non-manipulation certificaten van de Terminal manager in Alexandrië, de invoice en packing-list van Ekro en twee attesten van de vervoerder waaruit blijkt dat de goederen niet zijn gewijzigd of gemanipuleerd. Het aantal colli, het gewicht en de containernummers zijn op alle documenten identiek en kunnen ook - hoewel diep bevroren - fysiek gecontroleerd worden.

Van elke container zijn 23 colli fysiek gecontroleerd middels een documenten-, overeenstemmings- en materiële controle (D.O.M.-controle). Hierbij is vastgesteld dat er geen fysische en of organoleptische afwijkingen zijn geconstateerd. Daarnaast kan worden vastgesteld, al dan niet aan de hand van een steekproef, dat de colli dezelfde zijn als die zijn uitgevoerd. Op de packing-list zijn de gewichten van de dozen vermeld. Die kunnen worden gecontroleerd. De dozen zijn ongewijzigd gesloten gebleven met bandverzegeling en de dozen en goederen zijn ongewijzigd voorzien gebleven van etiketten met unieke gegevens.

De zegels van de containers zijn voor vertrek vanuit Egypte wel vervangen, omdat de containers naar Egyptisch voorschrift voor vertrek op inhoud moesten worden gecontroleerd door de havenautoriteiten. Het uitgaande zegel is aangebracht door de havenautoriteiten in Egypte. Nu uit het volgens verzoeksters niet van toepassing zijnde artikel 15 van de Richtlijn noch uit artikel 3.2.3.2. van de Regeling, noch uit de, hiervoor genoemde, uitspraak van het College, volgt dat de containers moeten terugkeren met dezelfde verzegeling, is aan de voorwaarden in die bepalingen voldaan.

Er zijn derhalve meer dan voldoende waarborgen dat de partijen niet zijn gemanipuleerd. 3.6.4. Verzoeksters hebben er voorts over geklaagd dat voorafgaand aan de primaire besluiten geen overleg met hen heeft plaatsgevonden en dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoeksters zijn daardoor in hun verdedigingsrecht geschaad. Verweerder heeft de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank en het daarin vermelde oordeel dat geen sprake is van wederinvoer in de zin van artikel 15 van de Richtlijn, naast zich neergelegd en heeft nieuwe besluiten genomen waaraan deze bepaling ten onrechte opnieuw ten grondslag is gelegd, hetgeen een weinig respectvolle proceshouding weerspiegelt. 3.7 Verweerder heeft de standpunten van verzoeksters in zijn schriftelijke reacties op het verzoek om voorlopige voorziening en ter zitting gemotiveerd weersproken.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 4.1. Verzoeksters primaire stelling houdt, kortweg, in dat de primaire besluiten op een onjuiste wettelijke grondslag berusten, omdat de GWWD hier niet van toepassing is nu deze gezondheid van dieren als voorwerp heeft, terwijl diergezondheid hier, aldus verzoeksters, niet aan de orde is. De voorzieningenrechter volgt verzoeksters in die opvatting niet. Reeds uit de considerans van de GWWD blijkt dat bescherming van veiligheid van mens en dier één van de doelstellingen is geweest die de wetgever met deze wet wenste te realiseren.

Ook het bepaalde in de hiervoor onder 2 vermelde artikelen 10 en 11 van de GWWD doet zien dat deze wet grondslag kan bieden aan regelingen die onder meer betrekking kunnen hebben op het brengen in Nederland van dieren en, voor zover van belang, produkten van dierlijke oorsprong, indien niet wordt voldaan aan te stellen regelen. Artikel 10, tweede lid, van de GWWD, doet zien dat de in het eerste lid bedoelde regelen in elk geval, onder meer, betrekking hebben op het aanmelden van het voornemen om dieren, produkten of voorwerpen binnen te brengen, op de verklaringen die op het douanekantoor moeten worden overgelegd, op de eisen waaraan deze verklaringen moeten voldoen en op het onderzoek na het binnenbrengen in Nederland.

De kern van het tussen partijen bestaande geschil is dus, in ieder geval mede, gelegen binnen het toepassingsbereik van het hiervoor weergegeven normatieve kader. De voorzieningenrechter wordt in dit oordeel gesterkt nu de betreffende partijen rundvlees naar Nederland zijn teruggekomen, vergezeld door dezelfde, op artikel 79 van de GWWD terug te voeren, (veterinaire) gezondheidscertificaten als waarmee deze partijen naar Egypte zijn uitgevoerd. Dat verzoeksters menen dat de door verweerder ingeroepen bepalingen onjuist zijn toegepast is een andere zaak, die hierna aan de orde komt. 4.2.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de betrokken partijen rundvlees vergezeld gaan van toereikende documenten teneinde deze goederen ter menselijke consumptie in de EU te kunnen binnenbrengen. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat zulks het geval is, althans dat de documenten die voorhanden zijn het gemis van een document afkomstig van een officiële Egyptische autoriteit goedmaken. Verweerder heeft dat standpunt bestreden. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 4.3. Artikel 3.2.3.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Regeling bepaalt, voor zover thans van belang, dat, in aanvulling op paragraaf 3.2.2, de partij vergezeld gaat van het originele certificaat met vermelding van de garantie dat aan de voorwaarden inzake opslag en vervoer is voldaan en de garantie dat de betrokken producten geen bewerking hebben ondergaan.

Het is deze verklaring – partijen spreken in dit verband over een non-manipulatieverklaring – die volgens verweerder ontbreekt en waarvan het gemis volgens verweerder niet kan worden goedgemaakt door de documenten waarop verzoeksters hebben gewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gelijk hier aan de zijde van verweerder is. Regelgeving en de omstandigheden van dit geval (de partijen rundvlees hebben zeven maanden vermoedelijk op een terminal in Egypte gestaan) rechtvaardigen dat verweerder hier een verklaring verlangt van een officiële Egyptische autoriteit.

Een zodanige verklaring ontbreekt. De verklaringen, één per container, waarop verzoeksters een beroep doen, elk afkomstig van een terminal manager van Alexandria International Container Terminals in Egypte, zijn niet een zodanige verklaring en behoefden daar, voor de toepassing van de hier aan de orde zijnde regelgeving, ook niet mee op één lijn worden gesteld. Eén en ander nog geheel afgezien van het feit dat één van deze verklaringen niet is ondertekend en het daarop vermelde gewicht niet overeenkomt met hetgeen op het veterinaire gezondheidscertificaat en de bill of lading is vermeld. 4.4.

De andere documenten waarop verzoeksters hebben gewezen kunnen het gemis van een verklaring van een officiële Egyptische autoriteit niet, althans niet voldoende, goed maken. Gelet op de stukken en het onderzoek ter zitting, moet immers worden aangenomen dat de containers geruime tijd in Egypte zijn geweest en daar zijn geopend, terwijl van toezicht van een officiële autoriteit daarbij niet is gebleken. Aldus komt er ook weinig betekenis toe aan de inkomende waybills en de attesten van de vervoerder, inhoudende dat de goederen niet zijn gewijzigd of gemanipuleerd, nu deze verklaringen niet kunnen voortbouwen op een verklaring van een officiële Egyptische autoriteit. 4.5.

De voorzieningenrechter heeft er bij het vormen van zijn oordeel niet aan voorbij gezien dat verzoeksters onder meer hebben bepleit dat de in artikel 3.2.3.2 van de Regeling vervatte vereisten en dus ook artikel 15 van de Richtlijn hier niet toepasselijk zijn, nu er geen sprake is van wederinvoer. Daarbij hebben zij tevens gewezen op de, hiervoor nader aangeduide, uitspraak van het College van 3 september 2009. Verwijzing naar die uitspraak kan verzoeksters niet baten omdat ten tijde van die uitspraak het huidige tweede lid van artikel 3.2.3.2 niet bestond en, blijkens bedoelde uitspraak, juist de afwezigheid van een zodanige bepaling een cruciale rol vervulde in de oordeelsvorming van het College.

Daar komt bij dat in het daar aan de orde zijnde geval kennelijk wel een non-manipulatie verklaring van de officiële autoriteiten voorhanden was, zij het voorzien van een onleesbaar daarop geplaatst stempel. Dat de Regeling inmiddels is gewijzigd, in dier voege dat onder de weigering door het derde land als bedoeld in het eerste lid van artikel 3.2.3.2 mede wordt verstaan het weigeren of niet afnemen van een partij door een afnemer in het derde land, heeft weliswaar kritiek van de zijde van verzoeksters uitgelokt, maar brengt het treffen van een voorlopige voorziening niet dichterbij.

Door deze wijziging - geheel daargelaten de vraag of een zodanige wijziging zich verdraagt met het daaromtrent bepaalde in de Richtlijn - is het bij wederinvoer toepasselijke regiem, dat lichter is dan het regiem voor invoer, slechts verruimd en worden verzoeksters daardoor op zichzelf niet geschaad. 4.6 Wanneer het binnenbrengen van de betrokken partijen, zoals hier, niet voldoet aan de vereisten voor wederinvoer resteren slechts de regels die gelden voor invoer terwijl dan – afgezien van eventuele andere redenen om de partijen te weigeren – in ieder geval een veterinair gezondheidscertificaat van de Egyptische autoriteiten is vereist.

Vaststaat dat een zodanig stuk niet voorhanden is. Aansluiting zoekend bij rechtspraak van het College (zie, mutatis mutandis, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2014; ECLI:NL:CBB:2014:339, r.o. 5.7, tweede volzin) betekent het voorgaande dat verweerder de betrokken partijen op de door hem aangevoerde gronden, naar voorlopig oordeel, terecht heeft geweigerd. 4.7 Al hetgeen verzoeksters verder hebben aangevoerd geeft evenmin aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Zo verzoeksters al in hun verdedigingsrechten zouden zijn geschaad is met name niet aannemelijk geworden dat een ander verloop van de voorbereiding van de primaire besluiten tot een andere, door verzoeksters gewenste, uitkomst had kunnen of moeten leiden.

Zie de arresten van het Hof van Justitie van de EU van 8 december 2008 in de zaak C-349/07, ECLI: EU:C: 2008:746 (Sopropé), van 3 juli 2014 in de zaken C-129/13 en C-130/13, ECLI: EU: C:2014:2041(Kamino) en HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, ECLI:NL:HR:2015:1666. Aan verzoeksters kan tenslotte op zich zelf worden toegegeven dat het negeren van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam zonder daartoe bij deze eerst een verzoek om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening te hebben gevraagd, minst genomen, weinig elegant is, maar ook die omstandigheid brengt het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening in de onderhavige procedure niet dichterbij. 4.8 De voorzieningenrechter ziet tenslotte evenmin aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening een termijn te bepalen waarbinnen verweerder een beslissing op bezwaar moet nemen of te bepalen dat verweerder hangende de bezwaar- of beroepsprocedure geen maatregelen zal nemen ter vernietiging van de goederen, als waarom door verzoeksters is verzocht, omdat van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van deze voorzieningen niet is gebleken.

De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij voortvarendheid zal betrachten bij het nemen van besluiten op de tegen de primaire besluiten aangevoerde bezwaren en dat hij hangende de bezwaarprocedure verzoeksters niet zal houden aan de in de primaire besluiten vermelde termijn van zestig dagen waarbinnen de partijen rundvlees moeten worden uitgevoerd of vernietigd. De partijen rundvlees zullen hangende bezwaar in diepgevroren toestand bewaard blijven. Indien verweerder, onverhoopt, toch niet tijdig beslist biedt de Awb verzoeksters procedurele middelen om de besluitvorming te bespoedigen. 4.9.

De conclusie is dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. 4.10 Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015. w.g. R.R. Winter w.g. J.W.E. Pinckaers Afschrift verzonden aan partijen op: