Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:CBB:2013:23 ECLI:NL:CBB:2013:23 AI generated

ECLI:NL:CBB:2013:23 · College van Beroep voor het bedrijfsleven

Case Number ECLI:NL:CBB:2013:23
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 12/908 5101 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2013 in de zaak tussen maatschap [A] en [B], te [woonplaats], appellante (gemachtigde: ir. S. Boonstra) en de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: bc. R. Weltevreden). Procesverloop Bij besluit van 4 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Bij besluit van 31 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:CBB:2013:23 · College van Beroep voor het bedrijfsleven: In het bestreden besluit is de afgekeurde oppervlakte lager vastgesteld, de bedrijfstoeslag verhoogd naar € 20.156,75 en de extra korting vervallen. 2.1 Appellante stelt dat verweerder de oppervlakte van de percelen 1en 2 te klein heeft vastgesteld. Appellante beroept zich in dat verband op een GPS-meting. 2.2 Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van appellantes percelen vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellante opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto van 2011.

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 12/908 5101 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2013 in de zaak tussen maatschap [A] en [B], te [woonplaats], appellante (gemachtigde: ir. S. Boonstra) en de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: bc. R. Weltevreden). Procesverloop Bij besluit van 4 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006. Bij besluit van 31 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013, waarbij voor partijen hun gemachtigden zijn verschenen. Overwegingen 1. Met haar Gecombineerde Opgave 2011 heeft appellante uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft 26 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 51.40 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 18.596,72. Verweerder heeft daarbij 1.73 ha van de door appellante opgegeven percelen afgekeurd en een sanctie (extra korting) toegepast.

In het bestreden besluit is de afgekeurde oppervlakte lager vastgesteld, de bedrijfstoeslag verhoogd naar € 20.156,75 en de extra korting vervallen. 2.1 Appellante stelt dat verweerder de oppervlakte van de percelen 1en 2 te klein heeft vastgesteld. Appellante beroept zich in dat verband op een GPS-meting. 2.2 Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van appellantes percelen vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellante opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto van 2011.

De GPS-meting van de percelen 1 en 2 heeft verweerder ingetekend op de luchtfoto 2011 en vergeleken met zijn eigen meting. Daarbij is te zien dat in de GPS-meting niet subsidiabele oppervlaktes, namelijk van een weg aan de zuidzijde van perceel 1 en een hoek en een weg op perceel 2, zijn meegenomen. 3.1 Tussen partijen is alleen (nog) in geschil of verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1 en 2 te klein heeft vastgesteld. 3.2 Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van de in geschil zijnde percelen vastgesteld aan de hand van de luchtfoto 2011.

Daar tegenover staat de GPS-meting waarin, zoals het College ter zitting aan de hand van de door verweerder meegebrachte foto’s heeft kunnen vaststellen, ook niet subsidiabele elementen (wegen en andere verharding) zijn ingemeten. Die GPS-meting roept zodoende onvoldoende twijfel op aan de juistheid van verweerders oppervlaktebepaling. Het College houdt daarom de oppervlaktebepaling door verweerder voor juist.

4. Het beroep is daarom ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013. w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld