Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.024 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.024 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against implicit rejection of deportation due to subsequent explicit revocation of deportation order.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.024
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal against an implicit rejection of his deportation request, which had been deemed a refusal due to the administration's silence. Although the applicant argued for the invalidity of this implicit decision, the government later explicitly revoked the original 2014 deportation order, thereby granting the relief sought. Consequently, the court ruled that the appeal lost its subject matter and was therefore rejected.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 14, § 3 of the Council of State Act; When an administrative authority fails to decide on an appeal within the statutory period, silence is deemed a refusal; however, if the authority subsequently issues an explicit decision granting the requested relief, the prior implicit refusal loses its legal effect and the appeal against it becomes inadmissible.

Mots-clés

Généré par l'IA
implicit rejection deportation order administrative silence loss of subject matter subsequent revocation Council of State Act fictive refusal détermination du domicile civil

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 14, § 3 of the Council of State Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Xe KAMER

nr. 248.024 van 8 juli 2020

in de zaak A. 220.548/X-16.764

In zake : Olivier DOMB

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gauthier Baudts kantoor houdend te 1930 Zaventem Leuvensesteenweg 510/32

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 21 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring:

- van “de impliciete bevestigingsbeslissing van de FOD Binnenlandse Zaken Algemene Directie Instellingen en Bevolking dd. 26/08/2016, waarbij de beslissing tot ambtshalve afvoering van dhr. Domb uit het bevolkingsregister van Knokke-Heist wordt bevestigd, of minstens wordt geweigerd om deze beslissing tot afvoering te vernietigen”, - evenals, volledigheidshalve (aldus de memorie van wederantwoord), van de beslissing van de gemeente Knokke-Heist van 24 oktober 2014 om hem ambtshalve uit het bevolkingsregister af te voeren.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 247.278 van 10 maart 2020 is het debat heropend en wordt de zaak opnieuw opgeroepen op de terechtzitting van 5 juni 2020, welke zitting voor onbepaalde tijd werd uitgesteld.

X-16.764-1/3

Met het akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’.

Eerste auditeur Iris Verheven heeft een geschreven, met dit arrest eensluidend, advies neergelegd. Aansluitend is op 20 mei 2020 dit advies via elektronische weg ter kennis van de partijen gebracht, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Verzoeker wordt op 24 oktober 2014 ambtshalve afgevoerd uit het bevolkingsregister van Knokke-Heist, Sparrendreef 112/0011.

Hij stelt daar met een bezwaarschrift van 6 november 2014

beroep tegen in bij de verwerende partij.

Op 27 april 2016 maant verzoeker de verwerende partij met toepassing van artikel 14, § 3, van de Raad van State-wet aan om een beslissing over het beroep te nemen.

Bij ontstentenis van een beslissing binnen vier maanden wordt het stilzwijgen van de verwerende partij geacht een afwijzende beslissing te zijn.

Die fictieve weigeringsbeslissing is het voorwerp van voorliggend beroep.

4. Op 9 maart 2020 heeft de verwerende partij alsnog beslist de ambtshalve afvoering van 24 oktober 2014 te vernietigen. Deze expliciete X-16.764-2/3

beslissing, die verzoeker de gewenste genoegdoening verschaft, komt in de plaats van de bestreden fictieve weigeringsbeslissing, waardoor het beroep ertegen zijn voorwerp verliest.

5. In de gegeven omstandigheden past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht juli tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Johan Lust

X-16.764-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.024