Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.751 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.751 Généré par l'IA

Court annuls study progress board ruling as refusal to enroll is not a study progress decision under VCHO.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.751
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of Cassation annulled the study progress board's decision regarding the refusal to enroll the applicant. The board had rejected the appeal because the refusal to enroll did not constitute a 'study progress decision' under the Vocational Education and Training Act. The court held that while the refusal stemmed from a breach of a monitoring measure, the act of refusing enrollment itself falls outside the specific scope of decisions reviewable by the study progress board.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. I.3, 69°, f) and g) VCHO; Art. I.3, 69°, i) VCHO: A refusal to enroll a student for a specific academic year, even if based on a breach of a study monitoring measure, does not constitute a study progress decision reviewable by the study progress board.

Mots-clés

Généré par l'IA
refusal to enroll study progress board Vocational Education Act jurisdictional scope monitoring measure breach échec définitif aux examens réintégration dans un établissement défaillances répétées

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. I.3, 69°, f) VCHO
Art. I.3, 69°, g) VCHO
Art. I.3, 69°, i) VCHO
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 246.751 van 21 januari 2020

in de zaak A. 228.047/IX-9539

In zake: de ARTESIS PLANTIJN HOGESCHOOL ANTWERPEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

Hallo TAHA

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Geuens kantoor houdend te 2860 Sint-Katelijne-Waver Stationsstraat 125A

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 mei 2019, strekt tot de nie-

tigverklaring van arrest nr. 4868 van 8 april 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij beschikking nr. 13.368 van 20 juni 2019 is het cassatiebe-

roep toelaatbaar verklaard.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

IX-9539-1/9

Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Tijs Lust, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Peter Geuens, die verschijnt voor de ver-

werende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin-

gen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten ge-

geven:

“Verzoekende partij [lees: de verweerder in cassatie] is sinds het acade-

miejaar 2013-2014 ingeschreven in de opleiding „Bachelor in het be-

drijfsmanagement – rechtspraktijk‟. Verzoeker werd initieel geweigerd om zich in te schrijven voor het academiejaar 2017-2018, maar bij beslis-

IX-9539-2/9

sing van de interne beroepsinstantie op 30 november 2017 werd hem de herinschrijving toegestaan onder bindende voorwaarden.

Vermits verzoeker de bindende voorwaarden niet heeft nageleefd, wordt hem de herinschrijving voor het academiejaar 2018-2019 geweigerd. De toelatingscommissie vindt in het dossier bovendien geen elementen die erop wijzen dat een volgende inschrijving een positief resultaat zal ople-

veren.

Verzoekende partij stelde op datum van 10 oktober 2018 een intern be-

roep in bij de interne beroepsinstantie van de onderwijsinstelling.

Bij beslissing van de interne beroepsinstantie op datum van 25 oktober 2018 werd het intern beroep ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.

[…]”

Verweerder in cassatie stelt op 2 november 2018 bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een beroep tot nietigver-

klaring in van de voormelde beslissing van de administratieve beroepsinstantie van 25 oktober 2018.

Bij tussenarrest nr. 4764 van 26 februari 2019 beslist de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen:

“1. Verwerende partij beschikt over een termijn tot uiterlijk 28 februari 2019 om het aangepast studieoverzicht voor het academiejaar 2015-2016

samen met een toelichtende nota in te dienen.

2. Verzoeker beschikt vervolgens over een termijn tot uiterlijk 4 maart 2019 om een toelichtende nota in te dienen, waarna de debatten worden gesloten.”

Met arrest nr. 4868 van 8 april 2019 vernietigt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de beslissing van de admi-

nistratieve beroepsinstantie van 25 oktober 2018.

IV. Onderzoek van het eerste cassatiemiddel

Standpunt van de partijen

4. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van arti-

kel I.3, 69°, iuncto artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs

IX-9539-3/9

(VCHO), omdat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zich schuldig heeft gemaakt aan machtsoverschrijding.

De weigering tot inschrijving is geen studievoortgangsbeslis-

sing als bedoeld in de aangevoerde bepalingen en een betwisting hierover valt niet onder de rechtsmacht van de Raad voor betwistingen inzake studievoort-

gangsbeslissingen.

Verweerder vermag niet zich een nieuwe beroepsmogelijkheid te verschaffen met een beroep tegen de beslissing tot weigering tot inschrijving op grond van een beweerd onjuiste opname van een bindende voorwaarde in een door hem eerder ondertekend diplomacontract. Uit artikel I.3, 69°, f), VCHO

blijkt wel dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zich kan uitspreken over het opleggen van een maatregel van studievoortgangs-

bewaking, zoals het opleggen van een bindende voorwaarde tot het behalen van een studierendement van 60%, maar het beroep van verweerder in cassatie was niet tegen deze beslissing gericht. De termijn om op te komen tegen de in het diplomacontract opgenomen bindende voorwaarde was overigens verstreken.

5. Verweerder antwoordt:

“Het cassatieberoep is alleen gericht tegen het arrest nr. 4.868 van 8 april 2019, en is niet gericht tegen het (tussen)arrest nr. 4.764 van 26 februari 2019 dat in dezelfde zaak is uitgesproken door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

Tegen het arrest nr. 4.764 is er geen cassatieberoep ingesteld.

In het arrest nr. 4.764 is reeds uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid.

De Raad heeft vastgesteld dat de onderwijsinstelling de ontvankelijkheid van het verzoekschrift niet betwist, en de Raad zag zelf evenmin redenen om zulks ambtshalve te doen zodat het beroep van de student ontvankelijk is verklaard.

De beoordeling van de bevoegdheid gaat de beoordeling van de ontvanke-

lijkheid noodzakelijk vooraf.

Doordat de onderwijsinstelling geen cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest nr. 4.764 is zij niet gegriefd door de omstandigheid dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zich verder be-

voegd achtte om nog uitspraak te doen.”

IX-9539-4/9

Verweerder merkt voorts op dat een beslissing waarbij aan een student die een geïndividualiseerd traject volgt de inschrijving wordt geweigerd, een beslissing is die als een studievoortgangsbeslissing moet worden aangemerkt omdat volgens de decreetgever “(q)ua rechtsnatuur (...) een eenzijdig en auto-

noom door een instelling besliste weigering voor een gecombineerde inschrijving op grond van een geïndividualiseerd traject nauw (aansluit) bij de studievoort-

gangsbewakingsmaatregelen” – verweerder verwijst naar Parl.St. Vl.Parl.

2008-09, nr. 2159/1, 68-70 – en aldus wel degelijk onder de bevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is gebracht.

Beoordeling

6. Met zijn tussenarrest nr. 4764 van 26 februari 2019 heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het debat heropend en heeft hij aan de verwerende partij – thans verzoeker in cassatie – gevraagd om een aangepast studieoverzicht voor het academiejaar 2015-2016 voor te leggen, samen met een aangepaste inventaris en eventuele opmerkingen en aan de ver-

zoekende partij – thans verweerder in cassatie – toegelaten om haar eventuele opmerkingen aan de Raad te bezorgen, waarna het debat wordt gesloten.

Anders dan verweerder het ziet, heeft de bodemrechter in zijn tussenarrest niet zijn rechtsmacht noodzakelijk en definitief aangenomen, maar heeft hij enkel een arrest gewezen alvorens recht te doen, dat beperkt is tot niet meer dan een regeling van een aspect van de rechtspleging zonder enig geschil-

punt definitief te beslechten. Een dergelijk tussenarrest alvorens recht te doen is niet vatbaar voor cassatie.

Het middel, dat de onbevoegdheid van de bodemrechter aan-

voert, mag ontvankelijk tegen het eindarrest worden aangevoerd.

7. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin-

gen doet luidens artikel II.285, tweede lid, VCHO “als administratief rechtscolle-

IX-9539-5/9

ge uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslis-

sing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de [...] interne beroepsprocedure”.

Niet wordt beweerd, noch ziet de Raad van State ambtshalve, dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in de voor-

liggende zaak uitspraak zou hebben gedaan op grond van een andere hem door de decreetgever toevertrouwde bevoegdheid.

8. Naar artikel I.3, 69°, VCHO bepaalt, is een studievoortgangs-

beslissing een van de volgende beslissingen:

“a) een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel;

b) een examentuchtbeslissing, zijnde een sanctie opgelegd naar aanleiding van examenfeiten;

c) de toekenning van een bewijs van bekwaamheid, dat aangeeft dat een student op grond van eerder verworven competenties of eerder verworven kwalificaties bepaalde competenties heeft verworven;

d) de toekenning van een vrijstelling, zijnde de opheffing van de verplich-

ting om over een opleidingsonderdeel, of een deel ervan, examen af te leggen;

e) een beslissing waarbij het volgen van een schakel- en/of voorberei-

dingsprogramma wordt opgelegd en waarbij de studieomvang van derge-

lijk programma wordt vastgesteld;

f) het opleggen van een maatregel van studievoortgangsbewaking, be-

doeld in artikel II.246;

g) het weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het diplomacontract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven;

h) een beslissing inzake gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma van hoger onderwijs met een Vlaams diploma van hoger onderwijs geno-

men krachtens artikel II.256;

i) een individuele beslissing houdende de weigering tot inschrijving op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling.”

9. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin-

gen doet in het bestreden arrest uitspraak over een beroep dat gericht is tegen een

IX-9539-6/9

beslissing van 25 oktober 2018 – genomen in graad van administratief beroep –

met betrekking tot de weigering tot inschrijving van verweerder en waarbij de administratieve beroepsinstantie van verzoeker het beroep tegen de weigering tot inschrijving als ongegrond verwerpt.

10. Het beroep dat verweerder aanhangig heeft gemaakt bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is met andere woor-

den enkel gericht tegen de beslissing van de beroepsinstantie van 25 oktober 2018

en niet tegen vroegere of andere handelingen van de toelatingscommissie of van de beroepsinstantie.

Of die weigering tot inschrijving terecht steunt op de niet-

naleving van een bindende voorwaarde die als een maatregel van studievoort-

gangsbewaking is opgenomen in het diplomacontract van verweerder, is een rechtsvraag die in het geschil is opgeworpen en waarop de bodemrechter ant-

woordt om de wettigheid van de beslissing van 25 oktober 2018 houdende de weigering tot inschrijving te beoordelen. Het opleggen zelf van die maatregel van studievoortgangsbewaking vormt echter niet het voorwerp van de rechtsvorde-

ring. Verweerder verwart in zoverre het voorwerp van zijn vordering met het aan dit geschil ten grondslag liggende recht en de vernietigingsgrond.

Het voorwerp van het beroep – de weigering tot inschrijving van verweerder – is geen studievoortgangsbeslissing in de zin van artikel I.69°, f), VCHO.

11. De voor de bodemrechter bestreden weigering tot inschrijving vormt ook geen van de andere in artikel I.3, 69°, VCHO als studievoortgangsbe-

slissing omschreven beslissingen. Inzonderheid is de weigering tot inschrijving van verweerder voor een bepaald academiejaar geen beslissing met betrekking tot het “weigeren van het opnemen van een bepaald opleidingsonderdeel in het con-

tract waarvoor de student die een geïndividualiseerd traject volgt, zich nog niet eerder heeft ingeschreven” als bedoeld in artikel I.3, 69°, g), VCHO.

IX-9539-7/9

12. Bij decreet van 16 juni 2017 is de rechtsmacht van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen met artikel I.3, 69°, i), VCHO weliswaar uitgebreid tot beslissingen houdende de weigering tot inschrij-

ving, doch enkel indien het een weigering betreft “op basis van ontoereikend leerkrediet of een leerkrediet lager dan of gelijk aan 0, indien niet het gevolg van een algemene reglementaire bepaling”. Het voorliggende geval past niet in die categorie.

13. Het middel is gegrond.

V. Tweede middel

14. Er is geen reden om in te gaan op het tweede middel dat, ge-

steld dat het gegrond zou zijn, niet kan leiden tot een ruimere nietigverklaring.

VI. Cassatie zonder verwijzing

15. Aangezien de Raad voor betwistingen inzake studievoort-

gangsbeslissingen zonder rechtsmacht is om over het beroep uitspraak te doen en evenmin moet oordelen over kosten, is er na cassatie niets meer te oordelen en is er geen reden om de zaak aan een anders samengestelde kamer toe te wijzen.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt arrest nr. 4868 van 8 april 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

2. Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overge-

schreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernie-

tigde arrest.

IX-9539-8/9

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-9539-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.751